Herinneringen aan de
Ben van Eysselsteyngroep
in Gieten (2)
zomerkampen
De welpen sloegen in het begin vaak het zomerkamp op in Diever. Burgemeester Nijenhuis van Gieten had daar zelf een stuk bos of kende iemand die dat stuk bos bezat, dat weet ik niet. Wij konden dan daar kamperen. Een prachtig terrein waar we kookten op houtvuur in een gat in de grond. Koken op houtvuur, in het bos en dan vaak ook nog bij warm weer. Achteraf vraag je je af of dat wel vertrouwd is geweest, want bosbrand was niet denkbeeldig.
![]() |
Water halen tijdens het |
|
En samen werden de aardappels geschild. |
De groente moest altijd goed schoongemaakt worden. Kroppen sla zaten vaak onder de luis. Ach, wie zag nu of er wat was achtergebleven. Het was toch ook heel normaal dat er dennennaalden in het eten zaten. Dat gebeurde zo vaak, dat je daar niet anders meer van werd.
Het water haalden we in een melkbus bij een woning op dat terrein.
Daar in het bos groeiden hele grote dennenappels, die wij mee mochten nemen om er met Kerst kerstbakjes van te maken. Die werden dan weer verkocht om wat geld in de kas te krijgen.
In 1957 maakte een klein groepje verkenners een trektocht door een gedeelte van Nederland. We hebben toen erg veel plezier gehad.
![]() |
De Bende
van Eysselsteijn |
En de planning was om op de terugweg even in Diever aan te gaan om wat dennenappels voor de kerstbakjes mee te nemen. We zaten goed en wel in de bomen toen we werden opgeschrikt door iemand die nogal kwaad was. Het bleek n.l. dat de grond niet meer van burgemeester Nijenhuis was. Hoe de leiding het toen heeft opgelost weet ik niet, maar wij zijn weer weggegaan en vanaf dat moment hebben wij ons die vakantie omgedoopt in de Bende van Eysselsteyn.
Activiteiten die de groep heeft ondernomen in die tien jaar zijn onder andere:
v Verkoop van oliebollen, zomerkampen, pinksterkampen (Anloo), verkoop van kerstbakjes, de viering van Sint Jorisdag, heitje voor een karweitje.
v Heitje voor een karweitje was het doen van klusjes voor een kwartje. Die kwartjes werden dan ingezameld en dat geld ging naar onze invalide broeders, zoals dat zo mooi werd genoemd.
De kampen waren wel het belangrijkste voor de groep.
oliebollen
Oliebollen verkopen. De eerste keer werden de oliebollen gehaald uit Groningen bij een oliebollenbakker, die ergens bij een soort plantsoen zijn kraam had staan. Je ging dan weer terug met een autovol en die werden dan direct verkocht.
Ook werden de oliebollen een jaar gebakken in de bakkerij van Pranger aan de Eexterweg. Dat pand staat er nu niet meer. Het is volgens mij hetzelfde pand waar The House indertijd is begonnen. Maar in die oude bakkerij werden de oliebollen gebakken en wij gingen ze van daaruit verkopen.
De laatste keer dat we oliebollen hebben verkocht was vanuit het troephuis. Daar werden ze door een oliebollenbakker gebakken en dan verkochten wij ze weer. Het vervelende was echter, dat de ruimtes in het troepgebouw een zeer laag plafond hadden. Dus je kunt wel nagaan dat de lucht van het bakken niet weg wilde en dat het niet te beschrijven is hoe het daar stonk. Daar kwam bij, dat we s avonds, oudejaarsavond, daar ook nog een boerenkool-maaltijd hadden. Je snapt natuurlijk wel dat iedereen een uur in de wind stonk.
Over het Pinksterkamp in Anloo gaat nog het verhaal, dat op een morgen, een uur of vijf, een hopman bij de leiding-tent aanklopte met de mededeling, dat Akela eens naar de welpentent moest gaan, omdat de welpen al aangekleed en al op het terrein bezig waren, terwijl de rest nog in rust was.
|
Hier
deden we mee aan de optocht |
In de beginjaren werd er een contactorgaan uitgegeven. Het heette De Lange Jacht. Een aantal keren heeft daar een vervolgverhaal in gestaan dat is geschreven door Ben van Eysselsteyn, genaamd De vrouw en de vreemdeling.
Sint Jorisdag werd gevierd op 23 april. Je ging dan in je uniform naar school of naar je werk. Sint Joris was de patroon van de ridders van de orde van de kouseband en van padvinders en verkenners.
Ieder jaar in de herfst werd er in Bonnen (later op de Hondsrug) door Het Nut een vliegerwedstrijd georganiseerd. Iedere vlieger kreeg een afgepast aantal meters touw en als de vlieger dan in de lucht stond werd er met een ingenieus apparaat gemeten welke vlieger het hoogst stond. Dat meten gebeurde vaak door de stelmakers Dijkhuizen.
De verkenners zouden ook een keer meedoen. Een grote vlieger werd gemaakt en zij op naar de Hondsrug. Of het nu kwam door de harde wind of door de grootte van de vlieger weet ik niet, maar de vlieger heeft amper in de lucht gestaan waarna het touw knapte. Een grote afgang als je voor die tijd zo hebt opgeschept tegen die (kleine) welpen.
Waar erg van is genoten waren de nachtspellen. Dat gebeurde wel in het Zwanemeerbos, maar bijna altijd ook op een zomerkamp. En dan niet te vergeten de droppings. In een geblindeerde bus of de vrachtauto van Udinga ergens heen gebracht worden en dan maar zorgen dat je thuiskwam of naar een afgesproken plek moest gaan. Schitterend was dat, maar je moet nu eens aankomen met vervoer in een vrachtauto. Al zou je het graag willen, het mag niet eens.
![]() |
Installatie van Free Knoop (1961) |
En een aantal jaren was het de gewoonte om op oudejaarsdag met elkaar boerenkool met worst te gaan eten. En vooraf werd er dan chocolademelk geschonken.
De verjaardag van Baden Powel werd gevierd op 22 februari. Hij was een Engelse generaal (1857-1941) in de Boerenoorlog. Hij riep in 1908 de padvindersbeweging in het leven. Volgens Lambert gingen we dan met een bloem in het knoopsgat (en in uniform?) naar school. Bij mij is dat niet meer bekend, maar misschien weet iemand anders daar nog wat meer van.
![]() |
De verkenners
staan op het punt om op |
![]() |
Zomerkamp Eerbeek 1960. |
zomerkamp Eerbeek
Het zomerkamp in Eerbeek in 1960 was wel een bijzondere ervaring. De groep was in het bezit van een aantal tenten. Enkeldaks. 1 ronde tent (vaak gebruikt door de leiding), een paar patrouille tenten (voor de verkenners) en een tent voor 18 personen (officieel misschien wel meer), die door de welpen vaak werd gebruikt. Er stonden drie palen in. Het grondzeil was (natuurlijk) los, want van vaste grondzeilen hadden wij toen nog nooit gehoord. Dat betekende, dat er een geul om de tent moest worden gegraven, zodat het water dat van de tent afdrupte niet tegen de zijkant aan kon komen. En zon grote tent zet je in het bos ook zo maar niet op iedere plek neer. Vaak zijn het niet de meest gunstige plekken als het regent.
Bij de welpentent, de ronde, was dat prima in orde.
Maar aan de tent van de verkenners, in dit geval die grote, was niets gebeurd. En bij de eerste de beste zware regenbui liep het water al snel onder het grondzeil. Een raar gezicht als je aan de ene kant gaat staan, en de andere kant van het grondzeil gaat omhoog. Alles nat, de kleren, de slaapzakken/dekens, de tassen, alles. De volgende dag hebben we alles moeten drogen bij een wasserij.
opheffing van de groep
De groep is opgeheven in 1962, omdat er geen leiding meer was te krijgen. Er was toen alleen nog een welpengroep en met die groep hebben we het laatste kamp gehad in het Staatsbos, in een weilandje rechts van de weg, waar de stinksloot van Udema onder de weg doorliep. Samen met padvinders uit De Krim, die we al eerder hadden ontmoet, hebben we daar zogenaamd het laatste geld opgemaakt. Wat er toen nog over was aan geld of materiaal heb ik toen ingeleverd bij de heer Scholten, die in de oudercommissie zat.
Dat was voor mij tevens het einde van mijn lidmaatschap van de Ben van Eysselsteijngroep. De groep is toen opgeheven wegens gebrek aan leiding.
Wildervank,
maart 2001
Opgetekend
door Tonnie Knoop, met aanvullingen van Ali
Jongens en Lambert Venema.
Helaas is Ali Jongens, even voordat wij dit verhaal konden afronden, overleden. Als er nog een gesprek had plaatsgevonden, hetgeen wel was afgesproken, was er ongetwijfeld meer op papier komen te staan.
Terug naar: Persoonlijke notities