Terug: Index feuilleton

Het jaar van de ooievaar - Gerard Nijenhuis

Aflevering 30

Later zou Olga nog vaak aan die vreemde nacht denken en aan de dag daarna. Alles was opnieuw in beweging gekomen in het dorp. Het leek wel of de dingen niet meer op zichzelf stonden, maar verband met elkaar begonnen te krijgen.

Die zelfde morgen dat de ooievaars in het Holt overgevlogen waren van Wubbing naar Jalving, was ook de dag dat Salomo uitslag kreeg.

En het was de dag, waarop de afbraak van de boerderij van Oldenhuis begon.

Niemand had het zo afgesproken. Ieder werkte voor zichzelf langs eigen lijnen van geleidelijkheid, maar het resultaat was een merkwaardig samenvallen van gebeurtenissen.

Al vroeg die ochtend, nadat de boeren - sommigen met hondekarren, anderen met lichte wagentjes met een klein paardje ervoor - teruggekomen waren van het melken, spanden ze hun werkpaarden in en reden naar het dorp.

Onno Wubbing was er en Rieks Jalving en al de andere boeren van het dorp. Ze deden het bee-wark, dat wil zeggen dat ze op verzoek mee kwamen helpen. Lukas was als een vreemde apostel rondgegaan, waarmee hij aan de boerderij, waar hij veertig jaar gediend had, de laatste en vreemdste dienst bewees, die je je denken kon.

Ze reden aan op het dorp als voor een nieuw en heel ander soort demonstratie.

Later zouden de mensen - toen dat gebruik niet meer bestond - zeggen: Toen bij Oldenhuis, dat was de laatste keer dat ze bee-wark deden.

Het werk bestond uit het helpen bij de afbraak van het huis, het verslepen van palen, het slopen van gebinten, gemaakt uit eike- of lindebomen en nog z recht alsof het blad er zo weer aan kon. Het opstapelen en afvoeren van pannen, het loswrikken en afbikken van stenen, die bij een nieuwbouw in het veld zouden worden gebruikt.

Nog eenmaal lag het huis daar in zijn oude luister, in een voorjaar, dat zo rijk was en zo vol dat het leek alsof de bladeren van de lindebomen langs de straat alleen waren uitgekomen om nog één keer het huis te omlijsten met hun groene geur van blad.

De boeren zeiden weinig. 't Is zunde - dat was alles. Ze hadden te veel ontzag voor Hermannus Oldenhuis om te laten merken hoe ze erover dachten. Naar zijn eigen gevoel had dat gezag geleden door de klap, die hij had opgelopen bij de demonstratie. In werkelijkheid was dat niet zo. De golven hadden zich gedicht rond het gat, dat toen geslagen was. Hij bleef voor hen die hij voordien was. Mochten ze al heimelijk gelachen hebben, omdat hij door een onbekende - niemand had ooit kunnen achterhalen wie de fatale klap had uitgedeeld - zo was toegetakeld, tegelijkertijd bleven ze van onder hun blikken, die langzaam opklommen, vol eerbied naar hem kijken. Omdat hij het was. Hermannus Oldenhuis, een man uit één stuk, geen gemakkelijke, maar een kerel met vuisten en een grimmige blik.

Zo liep hij nu als een generaal over het erf met zijn rijglaarzen en zijn jagersjasje, een groene hoed op het hoofd. Kort en krachtig gaf hij zijn bevelen.

Het ploegje van Meerten Meertens stond er ook al, klaar voor de aanval.

Vreemd was dat je niets bijzonders zag aan het huis. De meubels waren wel weggehaald, maar de vitrages - die in het nieuwe huis toch niet zouden passen - hingen nog gewoon voor de ramen.

Dagenlang waren ze bezig geweest met inpakken. Gerhard zat erbij te kijken, boven op een stapel kisten.

Alles verdween: oma en Botha en de encyclopedie. Alle pannen en de kopjes uit de voorkamer. De hoge smalle glaasjes op een voetje, waar vader en Ben jenever uit dronken. Zijn speelgoed en hun kleren, behalve die ze meteen nodig hadden.

Door al het gedoe vergat Gerhard wat er gebeuren ging. Hij zwierf met Jakob door het al half onttakelde huis. Moeder was moe en strak en Marchien bewees minder goede diensten dan ze gewend waren, alsof ze niet thuis was in de chaos, die nu ontstond.

Vader - die zelf zo'n grote schuur had, waar alles leeg was: de stal van Flora en de vakken voor het hooi - had een schuur gehuurd om hun inboedel in op te slaan, totdat het nieuwe huis gereed zou zijn.

Gerhard ging de dag dat de afbraak begon naar de pastorie en zou 's avonds met Marchien meegaan naar haar volk.

Vader en moeder gingen naar het café, waar eens Ben gelogeerd had en na een paar dagen zou Gerhard daar bij hen komen.

Nu was het 's morgens vroeg.

Vreemd was die optocht van wagens, die het hek binnentrok, dat gerucht van paardehoeven. Er waren veel wipkarren. Ze waren blauw geverfd en om de velgen waren ijzeren banden gelegd, die knarsten over de straat. Er waren ook enkele lange wagens bij.

Die zijn voor de balken, zei Hermannus.

Zijn vrouw (moeder) - vreemd was dat, vond Gerhard, dat je 't een kon zeggen en ook het ander; hij wilde nu haast zijn vrouw zeggen, omdat ze zo weinig meer op moeder leek, zo anders was alles vandaag - was al bij Harm en Lammechie binnengegaan.

Hij voelde een vreemde, misselijk makende opwinding, die begon in zijn buik en eindigde in zijn hoofd, als een spoorlijn, waarlangs allerlei boodschappen doorkwamen. Het leek wel of hij zich verzette, terwijl hij tegelijkertijd wilde dat het gebeurde. Al had hij het tegen kunnen houden - dat wat hij gevreesd had sinds die vreemde meneer bij vader zat met de tekening van het nieuwe huis - hij wist nu niet of hij nog wilde dat het over zou gaan. Zo was hij al opgenomen in de totale beweging, die het huis zou vernietigen, zoals een lawine een rijtje dennen omver blaast.

Oldenhuis (vader) stond daar in alle rust, in alle ernst. Hij stond er zoals hij op het bordes gestaan had, toen hij burgemeester werd en zoals hij met moeder in de kerk gestaan had op de dag dat hij niet knielen wilde. Hij stond er zoals hij altijd ergens zou staan tussen zijn mensen: één van hen en toch heel anders, omdat hij zo stijf was, zo log, bars en onberekenbaar in alle rust, die hij uitstraalde.

Eén blik was voldoende, één uithaal van zijn arm. Hij hoefde maar te wijzen of zelfs Hendrik Jalving, die andere commandant van een nieuw en groeiend rijk, gehoorzaamde hem.

Zo was dan het laatste ogenblik gekomen dat het huis er stond in zijn gaafheid, z'n volledige vorm, gegroeid onder de handen van een timmerman, geboren uit bos en klei, van stenen en pannen, nu meer dan honderd jaar geleden. Toen had de overgrootvader van Gerhard het laten bouwen, even rustig en weloverwogen als het nu werd afgebroken door de kleinzoon van de bouwer.

Het hield nog één keer al zijn spanten, z'n ribben, z'n voegen bijeen. Het leek te hurken, zoals een dier, dat belaagd en wel, grommend neerhurkt in het groen, bedacht op de aanval, die het te verduren zal krijgen. Alsof de mensen en zelfs Hermannus (vader) dat voelden, zo treuzelden ze eer ze begonnen.

Gerhard stond bij het hek, kneep de ogen dicht, hield z'n koffertje in de hand. Hij ging verloren in die menigte karren en paarden en mensen, die tot ver achter het huis waren doorgestroomd, omdat het voorpad hen niet kon bevatten. Hij dronk het beeld in. Hij zag het en zag het niet. Het huis leek alle gedaanten aan te nemen, die het ooit had kunnen hebben: In de winter, besneeuwd met poedersuiker, in de herfst, vol blad en mos, in de zomer als het zich sloot voor de hitte en koelte beloofde aan wie school binnen de dikke muren.

Alle gedaanten, die het voor hem gehad had, vader en moeder tegelijk, grootouders, alles tot en met Marchien en Lukas en al het vee.

Hij begreep nu dat hij niet alleen het huis, maar ook dat alles kwijtraakte. Voor het eerst - en nog onbewust - begreep hij dat een huis een dak, een levend wezen was. Dat het meer was dan de optelsom van muren en kamers, maar dat elk huis een eigen ziel had, een adem, een eigen geur en speciale, onvervreemdbare geluiden.

Gerhard wist al deze dingen niet, toen hij daar stond met zijn koffertje in de hand als een kind, dat op weg is naar een vakantie.

Later zouden ze pas tot hem doordringen als hij terugdacht aan dit ogenblik. Hij wist nu alleen dat dit niet kon en dat het toch gebeurde. Dat je de dingen zeggen kon, afwijzen, nee zeggen. Maar dat het toch doorging.

Het was zo vreemd met al die mensen, die daar stonden en die treuzelden - die naar Oldenhuis keken - en op wie wachtten ze nou nog?

Allemaal waren ze tegen de afbraak, maar ze deden er toch aan mee. Zelfs Lukas, die brodeloos geworden was door deze onderneming, had toch geen woord ertegenin gebracht. Integendeel. Hij had net als de lee-aanzegger, die het overlijden van een dorpsgenoot meedeelt en bij elk huis opnieuw zijn verhaal afsteekt, de ronde gedaan en de jobstijding gebracht met het verzoek mee te willen komen helpen bij het tot stand brengen van wat zij allemaal betreurden.

Kon je dan nog op mensen aan?

Gerhard keek naar de overkant. Ds. Wiegers was naar buiten gekomen en stond op de stoep van de pastorie. Ook bij andere huizen stonden mensen te kijken naar wat hier gebeurde. Wat had hij gedaan, de vriend van zijn vader? Had hij geprobeerd om het te verhinderen?

Ben was misschien de enige, die het gewaagd had om te zeggen, dat het een krankzinnig plan was. Dat hij probeerde om huizen te redden door ze te kopen en dat Oldenhuis ...

Maar Ben was in de ban van tante Olga. Vader schudde zijn hoofd over hem en zei: Olga zit er of ze komt er, waar moet dat heen met die twee?

Gerhard begreep dat er zodoende afgedongen werd op mensen, van wie hij hield, mensen, die dachten en voelden zoals hij, zonder dat hij de draagwijdte van hun gedachten en gevoelens kon overzien.

 

Die windstille morgen. Mei. Zon. Een duif, die hoog opwiekt in de lucht om dan de vleugels stil te houden en in een duikvlucht uit te vieren. Wat vrij was die vogel daar in de lucht. En hij stond daar maar, gebonden aan dit huis en zo vreemd tussen alle mensen, die nog steeds aarzelden en het huis intact lieten, alsof ze er bang voor waren. Vader, die trekjes deed aan zijn sigaar en rookwolken weg liet dansen boven zijn hoofd.

Jop Snieder was eigenlijk de enige, die zich niets aantrok van het gewoel voor zijn raam, hoewel hij er net het gezicht op had. Hij had de ramen van zijn kamer opengezet, zodat meilucht binnenstroomde. Toen de oude ramen eenmaal vernield waren bij de demonstratie, had hij van de nood een deugd gemaakt en openslaande ramen genomen, zodat hij nu dichter was bij het groen van de brink en de bomen.

Terwijl de mensen op het erf in groepjes stonden te praten - met Gerhard aan de rand van dat gewoel alleen - zat hij rustig door te werken. Als er even een stilte viel in het gepraat, een open plek in al dat geluid van mensenstemmen en paardehoeven, hoorde je het gesnor van zijn machine of het zachte zingen van zijn basstem.

Gerhard had evengoed boos kunnen worden om die onverschilligheid van Jop, dat koelbloedige. Die Jop is een ijskoude, zeiden ze dan. Die geet deur as 't hoes al in braand steet.

Toch was Gerhard die onverschilligheid liever dan dat nieuwsgierige toekijken van al die mensen. En de ijver van Jop stoorde hem minder dan het niets doen om hem heen. Laat ze dan toch beginnen!

En alsof hij het bevel gaf, zo liepen de mannen aarzelend en haast argeloos - zoals boksers doen, die hun tegenstanders benaderen - zo kwasi onverschillig, alsof ze zomaar over de brink liepen - aan op het huis.

Ladders hadden ze bij zich, hoge houten ladders, meegenomen uit de hooivakken van al die huizen en met die ladders vormden ze een rij. Al die ladders samen vormden een raster, waar het huis in gevangen zat als in een val.

Die ladders lieten ze zacht neerkomen op het pannendak en toen klommen ze naar boven, zo rustig en behoedzaam zoals de Jalvings hadden gedaan in de vorige nacht bij de operatie ooievaar.

Zo zaten bij een brand mannen bovenop de daken en hielden het riet nat uit voorzorg tegen vonken die overvlogen. Wat een behoedzaamheid en zorg sprak dan uit hun gebaren als ze de lucht afspeurden naar een vonk, een licht, dat aanvloog en het huis in gevaar bracht. Nu was het huis in gevaar door die zelfde mannen, die op zijn rug gesprongen waren met de rustige, soepele bewegingen van panters op jacht.

En alsof één man het teken gaf, zo begonnen ze - op elkaar lettend - te wrikken aan die lange rij van ronde pannen, die op de nok van het dak lagen als een lange lijn van voren naar achteren.

Ep Zwiers - één van de aardigste boeren van het dorp, die tegen Gerhard altijd dag klein Oldenhoezie riep als hij hem tegenkwam - was de laatste van die lange reeks van mannen, die bij het puntje van de schuur naar boven was gekomen en daar de windvaan, die er honderd jaar de windrichting had aangegeven, loswrikte uit het dak. Het was een windvaan in de vorm van een witgeverfd, steigerend paard. Het hief één been op alsof het weg wilde rennen in een dolle galop. Eén maan vloog als een vleugel los uit zijn rug.

Als Gerhard thuiskwam uit school en de zon scheen, zag hij altijd dat witte paardje afsteken tegen het blauw van de lucht.

Terwijl de mannen naast hem de losgewrikte pannen naar beneden lieten glijden door een houten goot, daalde Ep af met dat steigerende paard in de hand. Hij stond ermee achter bij de schuur, die grote man met dat kleine, witte paard.

Ondertussen - zo gauw ging het - werd het raster van panlatten, bespannen met gaas, al zichtbaar en zag je door de balken heen de lucht aan de andere kant van het huis.

Bomen, waar je anders alleen de toppen van kon zien, zag je nu door het dak heen. Het was een bespottelijk gezicht.

Ep liep langzaam naar voren, zocht tussen al die mensen en riep toen met zijn harde, anders zo vrolijke stem: Waor is Gerhard?

Toen keken alle mensen, die zo bezig waren met de afbraak - ook Lukas en Onno en Rieks en Hendrik Jalving - op van het dak. Daar zaten ze als een zwerm spreeuwen, aangeplakt tegen de dakhelling, neergestreken op hun vlucht. Ze dachten allemaal als in een schok: Och goj, die Gerhard!

Zelfs Oldenhuis had dat. Hij voelde pijn als een vreemde scheut door zijn borst.

Lukas dacht aan die middag in de stal.

Ze keken om naar Gerhard.

Daar zagen ze hem staan, aan de rand van hun gewoel, half verscholen achter een al volgeladen wipkar, die bezig was uit te rijden op weg naar het veld. Hij stond er met zijn koffertje.

Ep liep op hem af, stond voor hem, groot en sterk. Gerhard met zijn vlaskopje. Ep zei: Da's veur dij, Gerhard en drukte hem het witte paard in de ene hand, die nog vrij was.

Zo ging hij naar de overkant, alsof het palmpasen was, met het witte paard - dat hij nog nooit zo van dichtbij had gezien - in de hand. Toen hij daar zo liep, zei hij opeens, zonder er erg in te hebben: Flora!

Die verdere dag zat hij stil en verloren in de kamer van ds. Wiegers. Hij at er zijn boterhammen, terwijl hij keek naar het portret van de vrouw van de dominee, die vermomd als Drentse boerin, glimlachend op hem stond neer te zien.

De kamer werd hem vreemd die dag. Het hele dorp was anders en alle mensen leken vijandig, behalve heel enkelen.

Het leek wel of de afbraak zich schoof tussen hem en de mensen en de dingen om hem heen. Alsof hij alles anders zag, als door een sluier van herinneringen.

Moeder leek ontheemd, toen hij haar opzocht in het café waar ze op een bovenkamer zat met de voeten in een kom water, omdat haar voeten dik geworden waren van het vele staan.

Zelfs Marchien, die hem 's avonds haalde om mee te gaan naar haar volk, was anders dan wanneer zij samen, op zondag of bij de kermis, de weg afgingen naar haar huis.

Marchien was stil. Op de weg pakte ze zijn hand en drukte die z, dat tranen in zijn ogen sprongen.

Pas toen ze binnen waren in de schemer van de avond, werd het weer veilig en vertrouwd. Hij zag het gezicht van haar moeder - wit van ouderdom, maar met een goedheid erover uitgespreid, waar hij niet ophield naar te kijken.

Da's ja good, zei ze, dast daor bist, mien kind. En als ze dat zei, kon je niet zeker weten of ze Marchien bedoelde of hem...

Al het vertrouwde was er weer: Haar dunne, wat hese stem, haar handen, gevouwen in haar schoot of bezig op het tafelkleed. Het licht boven de tafel, dat neerviel uit een porseleinen lamp. De broers van Marchien en de zuster, die thuiskwamen van het werk en naar hem keken en knipoogden.

Het brood dat ze aten, roggebrood met vet erop en stroop. De bekers melk. En de duif, die riep in de hoek van de kamer.

Was het vanwege deze avond dat hij later steeds terug zou blijven komen naar dit huis, dat aangekropen lag tegen de Hondsrug? Hij was er veilig, omdat zij, zonder het te zeggen, aan zijn kant stonden en van het huis hielden net als hij en het even onbegrijpelijk vonden dat het verdween.

Daarom zou hij tot in lengte van dagen, zolang zij leefde en zolang het kleine huis bestond, want ook dat werd later afgebroken om vervangen te worden door een vierkant huis met veel glas, thuis blijven komen binnen deze muren, die net als de oude mensen, die er woonden, wat waren krom getrokken.

Meer nog dan bij ds. Wiegers, die die dag met alle verhalen, die hij vertelde, niet meer dan een glimlach aan hem had kunnen ontlokken, bleef hij hier, die hij vroeger was.

Vroeger.

Dat wil zeggen: Vr de afbraak van het huis.

Zoals hij eerst gezegd had: voor vader burgemeester werd - zo zei hij later: vr de afbraak of: dat was nog in het oude huis. Het mooist van alles klonk die ene zin, die hij later telkens in zichzelf herhaalde: Dat was, toen we nog op de boerderij woonden. Dat klonk als: Dat was toen we nog gelukkig waren. Toen we nog bij de mensen hoorden en het dorp nog een eenheid vormde, een gemeenschap was.

Of had hij alleen maar gedacht dat die eenheid ooit had bestaan?

Terug: Index feuilleton