Terug: Index feuilleton

Het jaar van de ooievaar - Gerard Nijenhuis

Aflevering 29

Ze gingen vroeg naar bed. Ze zeiden dat ze moe waren van het werk op het land. Die moeheid kroop naar hun wangen, die bloosden als Annechie hun wat vroeg. Het was al mei en de tuin geurde naar jasmijn en op de wal om het Holt bloeide de eerste kamperfoelie. De meidoorn stond zo wit in het schemerdonker van de avond dat het wel leek of hij aangestoken was.

Van de weeromstuit, omdat de jongens zo moe waren en vroeg naar bed gingen - Jakob sliep al, hij wist van niets - gingen Rieks en Annechie ook vroeg achter de deuren, zoals ze zeiden met een uitdrukking, die nog stamde uit de tijd van de bedsteden.

Het was avond geworden in het dorp. Het werd nacht. De lichten gingen uit en de wind bladerde in de bomen. Alleen Olga's raam was nog verlicht.

Hendrik lag uit zijn zolderraam te kijken, totdat ook dat licht werd uitgedaan. Toen stond hij als met een sprong van een kat naast z'n bed. Daar had hij opeens een touw en een zak, een linnen zak, waar ze anders meel indeden en hij had ook al zijn overall, die anders in de schuur hing. Hoe had hij dat allemaal ongezien naar boven gekregen?

Hij gaf klopsignalen naar de kamer, waar Geert en Maris sliepen en ook daar stonden even later mannen in overalls en met klompsokken aan naast hun bedden. Toen Hendrik uit zijn kamer kwam, ging ook die andere kamerdeur open en stonden ze gedrieën bij de trap. Even later waren ze buiten achter de schuur, waar de ladder, die anders naar het hooi voerde, tegen de achterwand van het huis was gezet.

Geert en Maris pakten die ladder, elk aan een uiteinde, hesen hem in één snelle, maar stille beweging omhoog en gingen op weg, het erf af naar de straat. Hendrik volgde met de zak en het touw.

Bij Wubbing gingen ze het erf op. Ze zagen nauwelijks waar ze liepen, zo keken ze, toen hun ogen eenmaal aan de duisternis gewend waren, naar de boom, waar de ooievaars als een deken op het nest lagen, hun koppen nauwelijks zichbaar, omdat ze zo diep in de veren verstopt zaten.

Hendrik wees en zij zetten de ladder tegen de boom. Toen ging hij, alsof hij in hun eigen schuur bezig was, de ladder op, terwijl Geert en Maris die vasthielden. Hij had het touw neergelegd. Bij nader inzien had het niet mee gehoefd. De linnen zak had hij losjes om zijn hals geknoopt en uit zijn broekzak had hij een schone, witte zakdoek gehaald.

Toen hij boven was, werd het even moeilijk, want het wagenwiel was groter en ronder dan hij - zo van beneden - had vermoed. Met moeite kon hij eromheen komen. Hij hing, met zijn voeten op de ladder, scheef in de lucht, zich vasthoudend aan het wagenwiel. Zijn hand kon hij zo boven het nest uitsteken. Hij tikte tegen het hout en riep wat de boeren roepen als ze hun vee lokken. Hij riep: Koj, Koj, maar dan heel zacht, als een stille langgerekte roep.

Op die roep werden de vogels wakker, stonden op hun hoge poten op het nest.

Toen het zo ver was, roerde hij met zijn hand in de stokken en takjes van het nest, maar zó, dat hij alleen aan de rand van het nest kwam en niet in het midden, waar de eieren lagen. Vreemd was dat in die schemerige voorjaarsnacht met om hen heen het Holt.

Van bovenop de ladder zag hij het veen en de vage contouren van de huizen. Door de bomen heen blonk een enkele ster. Er was bijna geen geluid. Alleen een beetje wind en ver weg de roep van een dier, een uil misschien. Onder hem zijn broers, doodstil en merkbaar gespannen.

De vogels verdedigden zich niet, maar wiekten op en waggelden door de lucht naar het dak van de boerderij. Ze deden een paar grote slagen met hun vleugels en toen waren ze er. Daar bleven ze staan, zonder geklepper, verbouwereerd en met de kop laag op de vleugels alsof ze nadachten over wat er gebeurde.

Hendrik stond nog steeds op de bovenste sport van de ladder. Hij boog zich om het wagenwiel heen en pakte de witte zakdoek. Hij wilde de eieren niet met de hand aanpakken, omdat hij bang was dat ze deze anders niet meer zouden willen aannemen. Warm voelden ze, zelfs door de zakdoek heen en groot waren ze; de kleur kon hij in het donker niet zien. Drie waren er. Hij liet ze in de jute-zak neer, zo voorzichtig en langzaam, dat Geert fluisterde - heel zachtjes alsof hij de letters lossneed uit de lucht: G a a t h e t ?

Hij deed het zo, dat de jute zat tussen de eieren en toen daalde hij af. Zo behoedzaam alsof hij op eieren liep in plaats van met ze in de hand.

Toen hij beneden was, liep hij meteen door. Hij ging dwars door de perken naar de straat. Geert en Maris volgden met de ladder en ze waren alle drie al op straat, toen Hendrik zachtjes zei: Het touw !

Het touw lag nog op het gras onder de boom !

Bij hun huis ging het gemakkelijker, vrijer. Ze zwegen niet meer, maar praatten heel zachtjes. Hendrik liep tegen het rieten dak op alsof hij rietdekker was en nooit iets anders had gedaan. Hij legde de eieren neer in het nest nadat hij de takken in het midden, die in de winter vanaf de rand daarheen waren gewaaid, met zijn hand had weggehaald. Daardoor ontstond er een kuil, een veilige holte. Daar legde hij ze neer, precies zoals hij ze op het andere nest had aangetroffen.

Toen daalde hij weer af. Beneden trokken zijn broers hem naar de rand van de tuin. Daar stonden ze tussen de bosjes te kijken wat er gebeuren zou.

En toen gebeurde het wonder van die nacht.

De ooievaars, wakker geworden uit hun slaap, wiekten opnieuw op. Je hoorde het geruis van hun vleugels als een windvlaag in het vuur van de haard.

Toen vlogen ze over, van het dak van Wubbing, naar hun dak en daar stonden ze op het nest, op hun nest en de jongens stonden in de nacht buiten en wilden wel dansen en krijsen en zingen, maar ze maakten alleen maar gekke bewegingen en Geert maakte een lange neus naar het huis van de Wubbings en zei: Sliep uit, sliep uit!

Voor ze naar binnen gingen, stonden ze nog lang te kijken naar de ooievaars, die eerst wat omkrabden in het nest en toen opnieuw door de knieën gingen om de eieren te beschermen tegen de koude van de nacht.

Daarna zaten ze in de keuken en aten brood uit de trommel namen er kaas bij, zeiden niets, maar voelden zich zo één als nooit tevoren.

Toen ze in bed lagen, konden ze nog lang niet slapen. Ze dachten hoe de Wubbings op zouden staan, de volgende morgen en als in een gewoontegebaar op zouden kijken naar het nest en zouden denken: Hé, zijn ze beiden naar het veen?

Ze lagen dubbel van het lachen als ze dachten aan die domme, verbaasde blikken, vooral als ze zouden ontdekken dat de ooievaars niet langer bij hen waren, maar bij Jalving, waar ze immers thuishoorden !

Toen ze 's morgens wakker werden, liepen ze naar buiten om te gaan melken, net als altijd. De koeien stonden in het veen. Ze gingen erheen met paard en wagen.

Rieks merkte niets, totdat hij zag dat de jongens steeds naar het dak keken. Toen keek hij ook. Zijn adem stokte. Zijn blik ging terug naar hun gezichten en toen begreep hij het. Hij liep naar Annechie en die kwam ook naar buiten en sloeg de handen voor het gezicht en zei: O God, wat heb jullie nou um mans had?

 

Onno en Olga waren die ochtend vroeg wakker. Het was met hen beiden vreemd gesteld. Zij met Ben en hij met zijn vriendschap met Sal. Hij had beloofd die dag Sal en zijn ouders mee te nemen naar de uitslag van het examen. Was het daardoor dat hij al zo vroeg wakker was, omdat hij het examen beleefd had alsof hij het zelf deed?

En zij?

Het waren zulke vreemde weken sinds Ben en zij samen waren. Toen ze die avond, nadat het tussen hen begonnen was, thuiskwam, had ze voor Onno gestaan en ja geknikt. Het was toen nacht net als nu. Ze waren toen ook in de slaapkamer. Ze had voor hem gestaan met haar rechte, strakke blik en haar door moeheid vergrote ogen.

Onno, die anders zo slecht luisterde en ook heel vaak niet naar haar keek, had aan één beweging voldoende om te begrijpen wat er gebeurd was. Hij had haar aangekeken met die stille ogen zonder glimlach. Hij ging naast haar zitten, legde zijn hand op de sprei, onhandig, half naar haar toegewend en zei: Ik wist het al lang, Olga, dat je van hem hield . . .

Ze bewonderde Onno op dat ogenblik, omdat het onvoorstelbaar was - ook voor haar - maar ook onontkoombaar. Ze hadden zich beiden alles zo anders voorgesteld. En ondanks alles bleven ze toch samen horen. Het gebeurde immers nooit in de streek, waar zij woonden, dat mensen uit elkaar gingen. De Drenten, zo zei ds. Wiegers, breken niet in en breken geen echt.

Echtscheiding was een scheldwoord, uiteengaan een onbekend begrip. Je hoorde samen zoals de bomen bij het huis en de ooievaars bij het nest hoorden. Je had geen grillen of kuren. Je leefde samen in dat grote ritme van de geslachten. De adem van de natuur ging door je heen. Je kreeg kinderen. Als je ze niet had, was dat een ongeluk. Ook dan bleef je samen: oude boerenman en oude boerenvrouw op de bank voor het huis, terwijl de nichtjes en neefjes kwamen aanrijden in de koets om straks de erfenis te verdelen en te zorgen dat er wél weer kinderen zouden spelen onder de bomen van de brink.

O, het leven was zo simpel, zo eeuwig, zo cirkelmatig omsloten. Het was als door de wallen ingeperkt, die de mensen opwierpen in het land om de koeien binnen de perken te houden.

De mensen bleven binnen de perken van de ongeschreven wet. Als je dat niet deed, ging je weg.

Eens zagen ze in Assen op het perron een man en een vrouw uit het dorp, die niet bij elkaar hoorden, wegvluchten naar de stad.

Zou zij daar ook heengaan met Ben? Of bij hem gaan wonen in het huis met de gele kamer? Met hem zitten onder de bomen en op zomeravonden de geur van hooi ruiken en de mensen voorbij zien gaan, die zij kende uit het Holt?

Onmogelijk !

Onmogelijk, ook voor Ben, die het eerst wel hoopte, maar die toch ook al zoveel van de wetten van het dorp begrepen had, dat hij wist dat dat niet zomaar ging.

Onno had die nacht, toen zij knikte en hij terugknikte ten teken dat hij het begreep, niets gezegd dat zo onherroepelijk was dat het scheiding zou brengen tussen haar en hem.

Nee, vreemd genoeg, hoe slaapwandelend zij er ook hadden uitgezien, hij in zijn lange wollen ondergoed, dat hij zomer en winter droeg, zij in haar nachtgewaad, ze hadden het contact met de werkelijkheid niet verloren en geen ogenblik gedacht dat zij uiteen zouden gaan.

We wisten toch al jaren dat het niet ging tussen ons, zei Olga en streelde met de vinger de rand van het bed.

Maar je hoeft toch geen hekel aan me te hebben, zei hij moeizaam. Ik kan toch... Hij maakte zijn zin niet af. Hij wist niet waar die eindigde, want Salomo was er ook nog. Het was veel ingewikkelder dan zij beiden vermoedden.

We blijven gewoon doorgaan, zei Olga. Maar ik kan niet meer zonder hem. Ik wil nooit meer zonder Ben. En ik dan, dacht Onno en voelde zich oud, omdat hij wist dat Salomo weg zou gaan uit het dorp. Die moest jong zijn met de anderen.

Was hun band niet bepaald door het dorp? Door een gemeenschappelijke ervaring, omdat zij beiden zich een weg baanden van het dorp naar de stad. Salomo zou ongetwijfeld doorgaan op de weg, die Onno maar halverwege had afgelegd.

 

Nu waren ze opnieuw wakker in een nacht als toen. Alleen was het nu bijna morgen. En het was voorjaar. Zoel was de nacht, zoals alle nachten dit voorjaar. De winter was schraal geweest, maar nu bloeide alles in overvloed en de aarde bewoog - niet alleen waar de mol kroop - barstte los, scheurde, totdat er leven uitsprong en kleur, gras, bloemen, weidevelden vol - en bloesem, overal aan de appelbomen en de jasmijn. Het geurde de hele nacht door en er klonken vogelgeluiden en de lucht was helder van zon. En de boeren reden uit met sporen van mestlucht achter zich aan, omdat de akkers er niet genoeg van kregen. Overal waren vogels op het land en niet te vergeten de ooievaars, die klepperden en kikkers aten en eieren legden en over een week of zo wel zouden gaan broeden.

Toen ze die morgen wakker werden - een vreemd echtpaar en ook al haast niet meer thuis op dit dorp, beiden in de ban van een vreemde - hoorden ze toch samen als kinderen uit één gezin.

Toen zei Olga: Vreemd, dat het bij dieren nooit voorkomt.

Wat niet? zei hij, denkend of Sal voor zijn biologie ook zo'n hoog cijfer zou hebben als voor de wiskunde, waarvan de cijfers al bekend waren.

Dat ze geen kinderen hebben, geen jongen.

Komt het daardoor?

Ze blijven samen, zei Olga, en ze krijgen ze. En ze wachten tot ze groot zijn.

Ooievaars blijven ook altijd samen, zei Onno. Sal had het hem verteld, terwijl zij samen zaten in de tuin.

Terwijl Onno en Olga zacht praatten en al vroeg wakker waren, hoorden zij het geklepper van de dieren over wie ze het hadden. Alleen leek het wel van de andere kant van het huis te komen.

Ze blijven samen, zei Olga. En ze komen terug op het nest, waar ze horen, jaren achtereen, tot hun kinderen hun plaats innemen.

Waarom zeiden ze dit? juist die nacht? Waren ze wakker, omdat hun geluksvogels overgevlogen waren in het lichte duister van de voorjaarsnacht?

Wij komen ook steeds weer terug op ons nest, zei Onno lachend. Zullen we nog wat gaan slapen?

Olga schudde van nee. Ik kan alleen maar bij je blijven als ik praten kan, Onno. Ik moet met je praten. Ik ben ziek geworden van je zwijgen. Terwijl ze dit zei, klonk buiten steeds opnieuw het geklepper van de vogels.

Het werd licht.

Olga was in een vreemde extase. Onno was ernstig, maar heel lief. Zo open was hij geworden. Anders dan zij hem voordien kende. Hij zei: Als Salomo slaagt, wilde ik hun vragen, of ze vanavond hier komen voor het feest. Vraag jij Ben ook?

Ze glimlachten. Een huiver was in hen binnengetrokken als voor iets bangs. Het was als met de grote spiegel van de linnenkast. Hun leven leek aan een verdubbeling onderhevig, waardoor ze het idee hadden niet meer alleen te zijn in hun eigen slaapkamer. En die vogels, die zo bleven roepen ...

Terug: Index feuilleton