Terug: Index feuilleton

Het jaar van de ooievaar - Gerard Nijenhuis

Aflevering 27

De winter duurde lang dat jaar. Het dorp was dood in die maanden. Het leek wel alsof zelfs de binnenkant van de natuur gestorven was, alsof er in het hout van de winterbomen geen leven meer zat. Bij elke windvlaag vielen er takken op de weg en als Olga heen en weer reed van het Holt naar het dorp, hobbelde ze op de fiets over de dwarsgevallen takken.

Onno was veel weg. Hij vergaderde. Hij werkte. Maar hij speelde ook. Hij trad buiten de cirkel, die hen zo lang besloten hield en hij zei gewoon: Ik moet nog even naar Assen met Salomo.

Hij ging zelfs een keer met hen naar de synagoge. Alle Cohens zaten bij hem in de auto. Ook David, die hem spottend aankeek en die Sal plaagde met zijn rijke vriend.

Tegen Olga zeiden de mensen uit het dorp: Is je man bekeerd, dat e metgeet naor de jeudenkerk?

Ruben maakte handig gebruik van de vriendschap van Sal en Onno en vroeg hem handenwrijvend: Meneer Wubbing, zou u als u in Assen komt iets voor me willen meenemen?

Dat spaarde de kosten van de bode. Tenslotte belde hij gewoon op en zei: Meneer Wubbing, ik zit te springen om een stofje uit Groningen. De groothandel heeft het al klaargelegd. Zou u ... ?

Olga keek hem aan en zag dat dezelfde koorts hem beving, die haar overvallen had, toen zij Ben ontdekte en gedichten met hem las. Ze hoorde hem vertellen over wat Sal zei en wat Sal las en wat Marx zei ... Hij nam als een schooljongen, met die zelfde bedaarde gang, waarmee hij alles deed, boeken mee en studeerde zoals hij vroeger op school gestudeerd moest hebben. Het ontroerde haar hem zo te zien zoals hij vroeger geweest moest zijn, even trekkend met het gezicht, met de lippen lezend zonder enig geluid en nu en dan met een frons en een vage glimlach als het heel moeilijk werd, alsof hij zeggen wilde: Neem me niet kwalijk, maar ik ben al zo lang van school.

Ga je ook mee naar Groningen, naar de Universiteit? vroeg Olga, toen ze alleen waren in de voorkamer, waar hij in deze stille wintertijd zat te lezen. En dat terwijl hij tot voor kort niet meer las dan de krant!

Onno keek op, begreep niet wat ze bedoelde. Ze glimlachte tegen hem: Met Salomo mee, zei ze.

Ze keken groot en open naar elkaar. Olga voelde pijn om Ben, die zo ver weg was en een steek van jaloezie ging door haar heen, terwijl ze keek naar Onno's altijd wat bleke gezicht. Idioot, dacht ze: Die vriendschap met Salomo. En wat had zij? Zit Ben nog steeds in Frankrijk? vroeg hij, half verder lezend en het klonk alsof hij zei: Laat hij je in de steek?

 

Hermannus Oldenhuis zat in zijn oude boerderij als in een klokhuis en vertoonde zich niet, omdat zijn neus nog steeds wat scheef stond en zijn lip nog wekenlang gezwollen bleef en blauw als gevolg van een ontsteking.

Gerhard zat aan zijn voeten in de kamer en hoorde zijn vader zuchten bij het lezen en nu en dan de karaf tinkelen tegen de rand van het glas.

Alleen Jop Snieder was gewoon doorgegaan en werkte als een razende aan alle nieuwe pakken, die - crisis of niet - bij hem waren besteld door oude, zuinige boeren met geld op de bank.

Nu Onno getreden was uit hun vaste kring en haar niet langer vasthield, onverschillig leek aangaande haar wederwaardigheden, niet lette op de kleur van haar ogen, maar fluitend door het huis liep of met Salomo door het veen zwierf op zoek naar een laatste haas - nu was het wel alsof er geen lijn meer zat in haar gevoelens. Alsof die gevoelens hun perken te buiten gingen. Gevoelens, die zij niet wilde onderkennen, toen ze Ben wekelijks zag, kwamen tot bloei, toen hij weg was en kregen een gloed en een hevigheid, die ze niet eerder had gekend.

In weken ging ze niet naar zijn huis. Ze wilde het niet zien zonder hem. Totdat ze opeens op een avond - toen Onno uit was - het niet kon uithouden. Ze dacht opeens: Misschien is hij er wel. Hij is aangekomen, maar heeft nog geen kans gezien om te bellen.

Hoewel het onzin was, verzon ze een brief, die naar de post moest, stapte in het donker op de fiets en reed door de kou langs het huis van Lukas, die met pensioen thuis zat, langs Salomo, die er niet was als Onno er niet was, naar waar Ben woonde.

Uit de verte zag ze het huis liggen. Ze had zich voorgesteld dat het er zou liggen als een vage lichte plek in het donker, met de ramen als zwarte gaten vol duisternis.

Tot haar verbazing zag ze dat het huis niet schuilging in schemer met z'n witte muren, maar naar voren sprong door het gele licht, dat uit de ramen viel van de tuinkamer.

Hij is er! mompelde ze in zichzelf en vergat te trappen, zodat ze langzaam vooruitgleed, terwijl haar ogen naar het huis werden getrokken dat als een boot op haar leek af te drijven. Ze stapte af om te luisteren naar het bonzen van haar hart. Opeens was het of Ben, die daarbinnen zou zitten - net aangekomen van zijn reis - een vreemde voor haar werd. Durfde ze zo naar hem toe te gaan? Durfde ze aanbellen en voor hem staan in het donker na die weken dat ze elkaar niet hadden gezien? Ze wilde teruggaan, maar ze moest vooruit. Ze fietste niet meer. Ze liep.

Toen zag ze - en het was haast met opluchting, maar onmiddellijk gevolgd door een felle teleurstelling, dat het niet Ben was, die daarbinnen bezig was, maar de Franšaise.

 

Toen ze het later aan Ben vertelde - het hele relaas - zei hij: Ik had haar een sleutel gegeven, om toezicht te houden op het huis en voor de planten en zo.

Olga luisterde nauwelijks naar wat hij zei. Ze keek voor zich uit alsof ze het weer voor zich zag en alle gevoelens, die ze had doorgemaakt, weerspiegelden zich op haar gezicht. Ben hield opnieuw van haar met alle heftigheid, die in hem was. Zo onpersoonlijk als de brieven waren, die zij hem had geschreven - schoolmeisjesschrift uit een poëzie-album - zo duidelijk waren haar gevoelens nu ze bij hem zat.

De kamer, waar zij zaten - de tuinkamer met de gele vloer, de kachel en de boeken - sloot zich om hen als een schelp, een kluis, waarin zij besloten zaten alsof het nooit anders had gehoord.

Ze stond boven op een stoel, zei Olga.

Op een stoel?

Voor de boekenkast. Ja. En ik zag hoe ze één voor één de boeken uit de kast pakte, ze even inkeek, erin bladerde en ze dan weer terugzette in de rij. Haar bril stond op haar neus, ze keek eroverheen en met die ene vlecht over de schouder, leek ze net op een oude schooljuffrouw, die het huiswerk van de hele klas nakijkt. Ze was zich kennelijk niet van haar omgeving bewust.

Vreemd moest het geweest zijn, dacht Ben en hij glimlachte, terwijl zijn ogen dat afwezige kregen dat Olga zo melancholiek aan hem vond en dat in tegenspraak leek met de lach, die bijna altijd om zijn lippen speelde. Hij stelde zich het voor: Die oude vrouw op de stoel daarbinnen, zich niet bewust van de jonge vrouw daarbuiten, die haar begluurde.

Waar stond je?

In de tuin, zei Olga. Om beter te kunnen zien, was ik de tuin ingelopen. Ik stond daar, achter die lindeboom. Ze keken naar de rij half geschoren lindebomen, die elkaar de hand gaven om het huis en in welker kruinen altijd de wind zong, zodat je je thuis voelde in die veilige warme kamer.

Ik stond achter die boom en keek. O, Ben, het was zo gek en gekker was. . . - ze bloosde.

Ja? zei Ben en pakte onwillekeurig haar hand, die in haar schoot lag als ze er niet mee gebaarde om haar tekort aan taal aan te vullen. Ik was zo jaloers!

Jaloers? Hij keek haar vragend aan. Op haar?

Ja, zei Olga. Ik begreep het zelf niet, maar het was zo. Misschien omdat zij binnen was en ik buiten. Zij in jouw kamer, waar ik zo lang niet was geweest en bovendien nog nooit op een avond.

Ben knikte. Hij wist ook wat Olga hem zeggen wou. Of liever, hij begreep wat zij misschien niet zeggen wilde, maar niet verbergen kon. Dat haar gevoelens van kleur waren veranderd in de weken dat hij weg was geweest. Onstuimige gedachten kwamen in hem op en hij kneep haar hand vast, haast net zoals hij gedaan had tijdens de demonstratie, maar zonder angst dit keer. Hij wilde zeggen: Blijf bij me, Olga. Laten we elkaar nooit meer loslaten. Wij horen immers samen. Jij wist het, toen ik weg was en ik wist het, toen ik in Den Haag zat en ook, toen Frederikse me naar Frankrijk stuurde voor een verslag. Ik dacht aan jou en aan het dorp en nu ben ik er weer.

Weet je wat ik deed? zei Olga. Ze maakte haar hand los uit zijn omhelzing. Haar hand zag rood, zo had Ben haar geknepen.

Ik . . . ze bukte alsof er iets op de grond lag en slingerde dat denkbeeldige opeens door de kamer. Ik pakte een steen uit het gras, de eerste de beste, die ik vond en gooide die pats tegen het raam. Ze wees nu van binnen naar waar ze van buiten die steen had laten neerkletsen op het raam.

Ben begon verbaasd te lachen en keek haar bevreemd en tegelijk bewonderend aan. Toen gleed zijn blik naar de boekenkast, waar nog de rechte stoel voor stond, die de Franšaise gebruikt had.

Ze viel bijna van haar stoel, zei Olga, nu ook lachend. En ik dook weg achter een boom. Het gaf zo'n harde klap, dat mensen uit het café naar buiten kwamen om te kijken wat er was. Ze zagen de Franšaise als een fladderende vogel heen en weer hollen door de kamer en mij zagen ze niet, daar in het gras. Toen gingen ze tegen de muur van het café - omdat ze nou toch eenmaal buiten waren - staan plassen en ik lag daar maar in het gras. En het was zo koud.

Ze proestten beiden van het lachen. Ben stelde het zich voor: De vrouw van Onno Wubbing, de Franšaise en die mannen tegen de cafémuur.

Ze lachten nog na en keken elkaaar aan en Olga wist niet of ze moest lachen of huilen, want hoe moest het nou verder met hen beiden. Ze wist nu immers wat ze over Ben dacht, wat ze voor hem voelde en nadat de aanvankelijke bevreemding, die hen beiden overvallen had, toen ze elkaar weer zagen, verdwenen was, wisten ze immers beiden zeker dat ze van elkaar hielden.

Ben pakte telkens, ook als ze zich losmaakte om verder te vertellen, haar hand en hield die vast en zij liet het toe. Ze wees immers niets meer af en 't kon haar ook niks schelen - al zouden er weer mannen uit het café naar buiten komen lopen en haar fiets zien staan en haar silhouet in dat zelfde gele licht, dat zij toen voor het eerst gezien had.

Ben kuste haar. Hij knielde voor haar neer, lag op zijn knieën voor haar stoel en kwam dan met zijn hoofd bij het hare en kuste haar ogen, haar mond.

Olga verweerde zich niet. Ze legde haar hand op zijn hoofd en groef in zijn haar, stootte tegen zijn wangen met haar vingertoppen en liet zich optillen als een kind en zat naast hem, tegen hem aan in zijn stoel. Ze keek telkens of hij er nog was, ademde en voelde zich vrij. Hij werd zo ontroerd door haar overgave, omdat ze zo sterk was. Zo strak was ze geweest, zo koel en afstandelijk. Langzaam en schoksgewijze was ze begonnen aan die lange reis naar hem toe. Hij was misschien wel de eerste mens, die ze tegenkwam, die zo eigen was, zo dichtbij.

Hun taal verstomde en hun zinnen krompen in tot enkele woorden, die Ben al vaak, maar Olga nog nooit had gezegd: Liefste, jij, kind ... woorden, die Olga niet kende, want Onno en zij waren altijd stil geweest. Misschien hadden ze daardoor elkaar nooit bereikt. Olga begreep nu dat die enkele woordjes waren als signalen. Het waren tekenen dat je veilig was.

Voor Ben was het of het de eerste keer was. Hij was zo gelukkig en wat maakte het uit dat Onno er was ...

Ze zaten samen, lagen, stonden, liepen heen en weer, elkaar aan de hand vasthoudend, beurtelings ernstig en stil en dan weer proestend van het lachen, hun handen in de war, hun huid gloeiend, hun mond vol geur.

Ben zei: Ik heb een fles wijn, die ga ik halen.

We gaan het vieren, wou hij zeggen, maar zei het toch niet. Hij zag haar zitten, het haar los, ontspannen, gracieus. Hij keek naar haar. Zijn ogen kwamen niet van haar los, hij liep ondertussen ruggelings de kamer uit, met kleine pasjes.

Opeens herkende Olga het en dacht aan die eerste keer, toen Ben bij hen kwam en zij zo wegliep naar de keuken.

Toen de deur al dicht was en Ben wegijlde door de gang, riep ze: Kom hier, ooievaar.

Toen lachte ze en hij lachte daarginds en het huis was vol van hun gelach, zodat ze van de stoel afgleed en languit op de houten vloer lag. Ben naast haar, ook lachend, met de wijn en de glazen.

Zacht aan zijn oor, zei ze het opnieuw: Kom hier, ooievaar . . .

Terug: Index feuilleton