Terug: Index feuilleton

Het jaar van de ooievaar - Gerard Nijenhuis

Aflevering 23

In oktober ging Flora weg, in december werd de boeldag gehouden. Op die boeldag werd alles verkocht. Alles: de koeien en de kippen, twee schapen en een al groot geworden lam. Het gereedschap, karren, een ploeg, een eg, een koets op hoge wielen, nog van grootvader afkomstig en al het andere wat de Drenten met een kort en korzelig woord riw noemen, gerief.

De boeldag was in de kranten aangekondigd en aan de bomen aangeplakt met kleine zwart-witte letters:
Ten overstaan van notaris . . . zal op 7 december publiekelijk worden verkocht . . .

De bezichtiging was die zelfde middag. Drommen mensen liepen het erf op.

Tale Hendriks had heel handig op de brink voor het huis een fietsenbewaarplaats ingericht, waar de mensen voor één cent hun fiets in bewaring konden geven. Velen deden dat, want er was maar raar volk bij de weg in deze tijd met al die werklozen.

De notaris stond in een jas met bontkraag in de opening van de schuur, bij de bander, terwijl Knoop op de wipkar stond en van daar de verkoping leidde.

Iedereen was er natuurlijk. Het was nu toch stille tijd. Tierelier wat een plezier! Zoiets verzet de zinnen nog eens even. Met die crisis en de onrust van Landbouw en Maatschappij was er al ellende genoeg in de wereld.

Het was een ouderwetse boeldag en die had je niet zoveel meer. Ben was er ook en zei tegen Mans, die weer 't hoogste woord had, maar wel niets zou kopen: We gaan van verkoping naar verkoping, Mans.

Gerhard leek het wel, alsof het huis nu al niet meer van hen was. Mensen liepen overal in en uit. Niet eens zozeer mensen uit het eigen dorp als wel die uit andere plaatsen.

't Was maar goed dat vader de deuren naar het voorhuis op slot had gedaan, anders waren ze daar ook binnen gestoven. Door de moestuin liepen ze ook, trapten rustig de aardbeiplanten kapot en de boerenkool. Ze plukten een laatste appel van de bomen om die op te eten, terwijl ze de dingen, die te koop werden aangeboden, betastten.

Ze probeerden de schoppen alsof ze verwachtten dat ze zo zouden breken. Ze trokken de koeien aan de staart en porden ze tussen de ribben, zodat de dieren onrustig werden. Een onrust, die zich uitte in getrap en geloei, waardoor het huis gevuld werd met geluid.

Het leek wel of het geluid zwol en orgelachtig, in stoten, verklonk in de grote ruimte onder de kap.

Ze tilden ook de neergelaten luiken van de paardestal op en keken erin en zeiden:
't Peerd is al vot.

Als ze alles gezien hadden, begonnen ze uit verveling opnieuw, zodat Knoop tegen notaris zei: We moeten maar gauw beginnen.

Toen dromden ze allen op de hobbelige keienstraat achter het huis samen. De mensen stonden er als toeschouwers in een arena.

Ben dacht: Eigenlijk verandert er niets. Alles is altijd gelijk. Dit is al duizend keer gebeurd. Hij had het gevoel, dat hij het allemaal allang had meegemaakt, zonder precies te weten waar en wanneer.

 

Eén voor een werden de dingen naar buiten gebracht. Het belangrijkste, het vee, bewaarde men voor het laatst. Er werd begonnen met de gereedschappen. Lukas bracht het naar buiten voor zover het er al niet stond. De kar en de koets bijvoorbeeld en de ploeg, die samen met de wipkarren, op het erf stonden uitgestald.

Lukas bracht één voor één de dingen naar buiten, samen met Jan.

Gerhard dacht, terwijl hij samen met Jakob toekeek: Nu is het niet erg meer, nu Flora weg is. Al speet het hem nog zo van al die vertrouwde dingen, waar hij argeloos mee gespeeld had, zolang ze tot de boerderij behoorden. Hij merkte dat alles een vervreemdingswaarde kreeg: Meteen als de dingen naar buiten werden gesleept, bekeek hij ze met andere ogen. Ze leken nu wel dingen uit een winkel, waarvan je de waarde taxeert. Waar je op af kan dingen, die je mooi kan vinden of lelijk.

Voordien had hij zich al die vragen nooit gesteld. Hij had altijd gevoeld dat al die voorwerpen samen een heel stuk van zijn leven uitmaakten: Melkemmers, turfbakken, schoppen, een rooster om aardappels te sorteren, leidsels en tuig van paarden. Van Flora, van wie hij natuurlijk nooit meer iets had gehoord.

Lukas, die zijn laatste dagen inging - met 1 januari was het gebeurd, daarna zou hij alleen nu en dan als tuinman dienst doen - Lukas kocht ook wat.

Wat is dat? vroeg Ben, die naast Gerhard stond en met allerlei vragen kwam, omdat hij zo weinig wist van de boerderij en niet wist waar al die voorwerpen voor werden gebruikt.

Een dorsvlegel, zei Gerhard

Toen het ding buiten kwam, ging er gelach op bij de kijkers, die nu en dan kopers werden. De ouderen bogen zich even naar elkaar toe en haalden herinneringen op aan de tijd, toen ze zelf nog met zo'n vlegel aan het dorsen waren: 's Winters in de vroege ochtend, na het melken, op de lemen deel.

Lukas kocht hem voor vijftig cent. Als een herinnering? Hij stond met die lange stok met een soort klepel eraan op de keienstraat als een beeld van die vroegere tijd. Toen er niemand meer bood dan hij met zijn zachte stem gedaan had, ging er een applaus op.

Lukas zette de dorsvlegel neer naast zijn fiets, achter de schuur.

Tenslotte kwam het vee aan de beurt. Toen werd het spannend, want dit was het waardevolste. Gerhard's vader keek strak en zei niets meer tegen de notaris en tegen dominee Wiegers, die - wat hij anders nooit deed - gekomen was om dit laatste gedeelte van de verkoping bij te wonen.

Daar gingen ze allemaal, stuk voor stuk, de grote, logge stamboekkoeien, één voor één losgemaakt en naar buiten gebracht, middenin de grote kring.

Mensen schreven cijfers op kleine blaadjes papier en de stem van Knoop klonk en het bieden ging heen en weer over de hoofden van Anna 1 en Anna 2, Sjoukje en Margretha. Al die koeien met hun mooie namen, die Gerhard kende en waarvan hij precies wist, wat ze vorig jaar gekregen hadden, een stierkalf of een vaars.

Terwijl dit alles volop bezig was, was een jongen het erf opgelopen, rustig, met grote stappen, alsof hij hier woonde. Aan zijn houding was te merken dat hij zich op zijn gemak voelde, maar niet voor de verkoping was gekomen. Hij begon de mensen, die in dikke rijen in een grote kring stonden, op te nemen alsof hij mensen zocht in plaats van gereedschap of vee.

Toen begon hij een grote stapel losse vellen papier uit te delen onder de mensen, terwijl de verkoping rustig doorging.

De notaris dacht: Oldenhuis heeft zeker opdracht gegeven iets uit te delen. Oldenhuis dacht: Dat hoort zeker bij de verkoping. Totdat ze pas later ontdekten wat er gaande was.

Het was Hendrik Jalving, die pamfletten uitdeelde van Landbouw en Maatschappij, waarin werd opgeroepen tot een grote, demonstratieve vergadering op de brink van het dorp, die vlak voor kerstmis zou plaatsvinden.

Oldenhuis was woedend toen hij het doorkreeg. Al was er inderdaad vergunning verleend voor de demonstratie, hij vond het stijlloos, dat Hendrik de boeldag voor dit doel gebruikte.

Handige jongen, zei Tale. Die zal 't nog ver brengen, is 't de ene kant niet op, dan is 't de andere wel.

Met deze orakelspreuk was alles gezegd over een bewogen dag, waar de mensen 's avonds lang over konden napraten. Lukas vertelde erover in zijn kleine huis aan de voet van de Hondsrug, nadat hij met de dorsvlegel over de schouder op de fiets de heuvel was afgereden.

Toen hij het erf afreed, was het alsof een heel leven voorbij was gegaan. Alsof hij zichzelf nog één keer zag gaan, zoals hij als kleine jongen voor het eerst van het Holt naar de boerderij van Oldenhuis ging om er de koeien te drijven: 's Morgens ze wegbrengen naar het veen en 's avonds ze voor het melken weer ophalen. Hij deed dat als jongen de hele zomer lang voor drie gulden en een dagelijkse boterham, die hij opat in dezelfde, schemerige keuken met de zware rode balken, waar nu Marchien de boterhammen voor Gerhard smeerde.

Nu hij na de verkoping als een bijna oude man de weg terugreed naar zijn eigen huis, dacht hij aan die tijd en waarachtig, hij wist niet of het beter was geworden of niet.

Wat zal men d'r ok van zeggen, zei hij tegen zijn vrouw. 't Komp toch zoas 't komp.

Terug: Index feuilleton