Terug: Index feuilleton

Het jaar van de ooievaar - Gerard Nijenhuis

Aflevering 21

In Assen was de toeloop zo groot, dat op het laatste ogenblik een grotere zaal moest worden opgezocht. Ook die bleek nog te klein. Bij duizenden waren de mensen op komen zetten, de boeren in hun donkere pakken, velen met de pet op, allen vervuld van opstandigheid.

Rieks stond tussen al die mensen achter zijn oudste zonen. Hendrik stak boven hen uit. Hij luisterde naar de geluiden, die uit de luidspreker kwamen, de rede van de man uit Den Haag, die met noordelijk accent, wat schoolmeesterachtig, maar toch ook bewogen, uiteenzette waar het om ging.

Rieks begreep niet alles, maar hij putte er troost uit. Als dit mogelijk was, als er zo'n grote beweging op gang kon worden gebracht, zou er dan ook in het kleine leven van de enkeling niet van alles kunnen veranderen? Zou het dan toch niet goed kunnen gaan met de hypotheek? Zou de regering niet gedwongen worden ...

Hij droomde weg tussen al die mensen en zag Annechie voor zich, grijs geworden door de zorg. En hij zag Maris met zijn mondharmonika en Jakob, altijd onderweg met Gerhard. Zou Oldenhuis ook niet moeten luisteren naar de stem van de arme boeren, die nu uit de luidspreker klonk en als een golf heen danste om de kale takken van de winterbomen?

Oldenhuis luisterde met verbazing naar wat er in die demonstraties werd gezegd. Hij las het de volgende dag in de krant. Hij zag de foto's met de zee van witte gezichten, bedekt met zwarte petjes.

Wat de demonstratie in Assen voor de Drentse boeren betekende, dat was dat de mensen in de dorpen nieuwe moed kregen om aan het werk te gaan. Tot nu toe hadden ze gedacht dat de crisis een soort noodlot was, dat als een wals over je heen ging en je bedrijf vernietigde zonder dat je er iets tegen kon doen. Sinds Assen was het alsof er voor het eerst een nieuwe strijdbaarheid over de mensen kwam. In elk dorp ontstond een eigen beweging. Assen was de stille vijver, waar de steen in valt. De kringen plantten zich voort tot in de kleinste buitendorpen!

In het dorp van Hermannus Oldenhuis nam Hendrik Jalving de leiding. Niet Rieks. En ook niet één van de vele andere boeren, die in Assen waren en de leiders toejuichten na hun toespraken. Hendrik meldde zich die zelfde avond nog bij het comité, dat de demonstratie had belegd. Hij stond er even rustig als in de keuken van de ouderlijke woning. Hij zei tegen de mannen van het comité: Wat hier kan, kan bij ons in het dorp ook. En hij voegde eraan toe: Ik zal het opzetten. Ik zal ze eerst lid maken en dan houden we een demonstratie ... We gaan net zolang door tot ze luisteren.

De oudere mensen glimlachten om die jonge kerel, maar het was een glimlach vol respect.

Hendrik deed wat hij zei. De nacht na de demonstratie ontwierp hij het plan. Met zijn stevige vingers, niet gewend om schrijfwerk te doen, zette hij het zo goed en zo kwaad als het ging op papier. Om hem heen sliep het huis. Annechie sliep niet. Ze luisterde naar het mompelen van haar zoon, hoorde hoe hij nu en dan opstond, heen en weer liep. Ze dacht met angst aan de moeilijkheden, die hieruit zouden kunnen voortkomen. Met schrik dacht ze aan Oldenhuis, van wie bekend was, dat hij niets van de nieuwe beweging moest hebben.

Hendrik ontwierp zijn plan als volgt. Hij zou alle mensen van het dorp langs gaan om hun te vragen lid te worden.

Wubbing ook? Nee, Wubbing niet. En Ruben Cohen? Ja, Ruben wel, al wist hij dat de joodse mensen bang waren voor de Duitsers en voor de Duitse invloed op de beweging.

En Oldenhuis? Naar Oldenhuis zou hij pas gaan als hij veel leden had en de vergunning kon aanvragen voor het houden van de demonstratie. In Assen hadden de mensen tegen hem gezegd: Denk erom, als je wat organiseert, dat je toestemming nodig hebt.

Al verachtten ze de regering en geloofden ze niet meer in de juistheid van het democratische stelsel, toch wilden ze zich zo lang mogelijk aan de spelregels houden.

Die zelfde nacht besloot hij om lid te worden van de N.S.B. Hij begreep opeens, dat het geen zin zou hebben alleen een landbouworganisatie op te bouwen als het niet samenging met een politieke organisatie.

Hij zou een briefkaart kopen en zich melden als lid. Toen ging hij slapen met een zeer tevreden gevoel alsof hij de scheve verhoudingen, die er waren ontstaan in hun leven, recht getrokken had. Het zou goed komen. Een nieuwe toekomst brak aan. Zingend liep hij de volgende dag door de stal zonder een spoor van moeheid. In de week die volgde, liep hij alle huizen af. Hij sloeg er maar twee over.

De mensen in het dorp vroegen elkaar al gauw: Is ie bij jullie al geweest?

Hij deed ook vreemde ervaringen op. Er ging van hem zoiets dwingends uit als hij de mensen met zijn rechte, grote blik aankeek, dat ze haast niet durfden te weigeren. Velen werden lid, die het eigenlijk niet wilden . . . en schreven een week later een bedankje naar het provinciale adres.

Enkelen weigerden openlijk. Jop Snieder natuurlijk, die hem uiteenzette hoe de oplossing van de economische problemen gevonden kon worden. Het was één van de keren dat hij op een avond niet verder kwam dan dat ene adres, omdat hij er zo aan de praat raakte dat hij er niet meer weg kwam.

Jop zei: Wat Landbouw en Maatschappij wil, is fout. Het is alleen maar nationaal bekeken. Jullie willen grenzen dichtgooien, invoerrechten verhogen.

Natuurlijk, zei Hendrik.

Onzin, zei Jop. Jullie tasten het kwaad niet in de wortel aan.

Hoezo? Hendrik voelde zich onwillekeurig van zijn stuk gebracht door de rustige overtuigingskracht van Jop. De particuliere eigendom en het nationalisme. Dat zijn de twee grootste kwaden. Als je de landbouwcrisis wilt opheffen, moet je de grond nationaliseren.

Nationaliseren?

Ja. Dat is de enige oplossing. Dan krijgen de boeren ook een vast loon, net als alle anderen en dan hoeven jullie niet langer te lijden onder het wisselen van de prijzen.

Hendrik begreep niet hoe iemand ooit voor kon stellen om hun de grond af te nemen, die ze stukje voor stukje, meter bij meter, veroverd hadden door het ontginnen van de heidevelden. Jop had mooi praten vanachter zijn kleermakerstafel. Hij wist niet wat het was om al als jongen met vader naar het veld te gaan en elk uurtje vrije tijd te spitten in de droge heidegrond. Jop kon ook de trots niet voelen, die in hun harten brandde, als zij over hun eigen land liepen. Hoe kon hij zich ooit inleven in wat het was om eerst de horige van de Wubbings te zijn en daarna een vrije boer te worden op eigen land?

Dat vader het nieuwe huis had gebouwd, gezet zeiden de mensen hier, dat was de bekroning geweest van die verlossing uit de slavernij. En nu zouden ze dat weer prijs moeten geven? Dat Oldenhuis zo gek was om zijn mooie boerderij af te laten breken voor de bouw van een burgerhuis, dat moest hij weten. Dat was echt iets voor de rijken, die elke gril konden volgen. Voor hem en voor vader en voor Geert was er maar één ding, waar ze voor vochten. Dat was het behoud van hun bezit.

Toen Hendrik alle huizen af was geweest, had hij veel leden gewonnen. Natuurlijk waren er ook velen die weigerden. De vader van Sal en David bijvoorbeeld. Die begreep eerst niet wat hij kwam doen en dacht dat hij voor de jongens kwam.

Nee, zei Hendrik, voor u. Sal's vader weigerde botweg. Hij werd zenuwachtig, verborg zijn handen in de stoffen, waar hij mee bezig was, woelde ze om en keek hem van onderen aan, nam hem van top tot teen op en zei: Wij doen niet aan politiek, Hendrik.

David verwonderde zich dat zijn vader, die altijd zo bang was, zich zo openlijk uitsprak.

't Kwam omdat 't Hendrik was, zei hij later. Hendrik is eerlijk, daarom kan je 't zeggen.

Dus verliezen we er geen klant door? vroeg David lachend.

Hendrik was daarna bezig met het beleggen van een vergadering, die in het café vlak bij het Holt gehouden zou worden en waar hij - dat stond vast - tot voorzitter gekozen zou worden. Hij wilde ook meteen een datum vaststellen voor de demonstratie. Die zou op de brink gehouden moeten worden. Op kerstavond. En met fakkels. Het zou een soort midwinter kunnen zijn, een feest in de donkerste tijd van het jaar. Als teken dat het licht zou overwinnen, het licht wel te verstaan van de nieuwe beweging en niet het licht, waar ds. Wiegers over preekte.

Het was onthutsend om te zien hoe snel gedachten, die altijd als droom, als vage impuls aanwezig waren geweest, ontwaakten in het leven van deze jongen.

Van de partij had hij boekjes gekregen, folders, zinnen, die hem uit het hart waren gegrepen. Hij las ook over het oude midwinterfeest, de zonnewende en over oude volksgebruiken. Hij las hoe je gehecht kon zijn aan je eigen land en hoe er vreemde elementen, niet thuis op deze gronden, binnengeslopen waren, die de gemeenschap bedreigden, omdat ze een sterke economische macht gingen vormen. Hij slikte wel even, toen hij begreep dat ook Sal en David met wie hij samen was opgegroeid tot die vreemde elementen behoorden. Onvoorstelbaar was dat zij met hun kleine manufacturenwinkeltje zouden behoren tot de grote economische machten. Hendrik besloot dat deze passage in de partijliteratuur alleen maar kon slaan op de grootkapitalisten en niet op kleine winkeliers zoals Ruben Cohen.

Hij was gerustgesteld en ging naar Oldenhuis, die hij niet thuis opzocht, maar 's morgens vroeg op het gemeentehuis.

 

Het gemeentehuis was een soort poppenhuis. Het was laag en gebouwd uit verschillende steensoorten, waardoor het nog kleiner leek. Het bordes aan de voorkant was zo klein dat ze er bijna afvielen, toen Gerhard en zijn ouders er de zanghulde in ontvangst namen op de dag van de inhuldiging.

Oldenhuis ging er altijd vroeg heen. Hij was gewend om vroeg op te staan en om half acht stapte hij meestal als eerste het gebouw binnen. In deze maanden was het dan nog pikkedonker.

Die ochtend schrok hij toen hij de stoep opliep en daar iemand naar voren zag komen, die in het donker op hem had staan wachten. Het was Hendrik Jalving, die toestemming kwam vragen voor de demonstratie op de brink van het dorp.

Oldenhuis liep voor hem uit het gemeentehuis in. Achter de deur was eerst een hal met een houten vloer. Rechts lag de raadszaal, links waren de loketten. De burgemeesterskamer lag dieper in het gemeentehuis. Daar stonden ze tegenover elkaar. Oldenhuis met het hoofd naar beneden.

Ze kwamen niet tot de plichtplegingen, die in deze streken gebruikelijk zijn (Is 't goed met je volk? Hoe gaat het op de boerderij'?)

Hendrik zei: Oldenhuis heeft zeker wel gehoord dat ik overal geweest ben?

Overal? Hermannus vroeg het ironisch. Hendrik knipperde even met zijn ogen, maar hij bloosde niet en zei: Ik heb gewacht.

Omdat je wel wist hoe ik erover denk?

Nee, omdat ik . . . Oldenhuis luisterde niet. Nou, lid word ik natuurlijk niet. Hij steunde met de hand op het bureau en zei: Had je anders nog wat?

Een gevoel van verbittering doortrok hem. Mensen, die hij als vrienden beschouwde, bleken opeens lid te zijn van de nieuwe beweging. Ze bedankten voor de organisatie, waarvan hij bestuurslid was, schreven hatelijke briefjes of ingezonden stukken in de krant.

En nu stond Hendrik Jalving tegenover hem. De zoon van Rieks. Er zat een breuk in het beeld, dat hij had van het oude dorp, waar het woord dankbaarheid met grote letters geschreven moest worden. Hij had zin om te zeggen: Reken er maar niet op, straks in mei ...

Hij dacht: Wie zal jullie huis kopen? Ik misschien? Of nog veel erger: Onno Wubbing. En hij dacht: Waar blijf je dan met je Landbouw en Maatschappij?

Hij zei al die dingen niet. Teleurstelling en pijn gingen door hem heen. Het was nog zo vroeg en zo donker. De dag zou nog lang duren. Met al die mensen, die kwamen met vragen, waar hij geen antwoord op wist. Hij had het gevoel in een trein te zitten. Op reis te zijn naar een onbekend doel ver achter de horizon met alleen deze zekerheid, dat hij verkeerd zou aankomen.

Hij begon net als hij altijd deed in dat soort situaties, hij ging zachtjes praten zonder de mensen aan te zien. Hij zei tegen Hendrik, toen deze over de demonstratie begon: Zet het maar op papier, met de datum en de handtekeningen van jullie bestuur, dan zullen we 't bekijken.

Toen pakte hij zijn tas uit, ging zitten en begon te werken alsof de jongen niet meer bestond. Toen deze niet wist hoe hij weg moest komen, zei hij, zonder hem aan te zien: Doe je de groeten thuis?

Nooit waren woorden zo zinledig als deze. Hendrik voelde naast woede iets van verdriet en verloor zijn bravoure van boerenleider. Hij dacht aan de hypotheek en zei met de moed der wanhoop: Ik hoop niet dat u d'r mijn volk op aankijkt?

Terug: Index feuilleton