Terug: Index feuilleton

Het jaar van de ooievaar - Gerard Nijenhuis

Aflevering 20

Voordat het dat jaar kerstmis werd, zou er nog heel wat gebeuren. Achteraf gezien was het heel moeilijk om vast te stellen waar het begonnen was. Hermannus was er verbijsterd over als hij achteraf probeerde het spoor terug te vinden naar waar het begonnen was. Het was alsof het overal tegelijk ontwaakte.

Het gaat veel vaker zo. Ook in de natuur. Eerst zie je niets dan zwart kaal land, maar dan opeens, haast van de ene op de andere dag, breekt het uit: Er vertonen zich speldeknopjes van groen aan de dorre takken van de bomen en overal breekt het nieuwe leven uit. Zo was het ook met die merkwaardige verschijnselen, die begonnen in de stilste periode van het jaar. Kwam het omdat de boeren tijd hadden om na te denken, gebeurde het daarom dat ze opeens besloten, op veel plaatsen tegelijk, en als aangestoken door een besmettelijke ziekte, dat het zo niet langer kon en dat er iets moest gebeuren?

Zullen we de aardappels d'r wel uithalen? had Hendrik Jalving tegen z'n vader gezegd. Laot ze toch vorrötten, wij kriegt d'r ja gien cent veur.

Zo vond hij ook, dat de korenbulten maar opgebrand moesten worden in plaats van gedorst, omdat de rogge toch in zee werd gegooid. Het leek erop alsof het geduld van de mensen aan het begin van die winter aan het opraken was.

Toen de crisis begon, was dat een gebeurtenis, die ver buiten hun leven stond. Wat wisten zij nou van Amerika en van Wallstreet, wat voor verstand hadden ze van aandelen? Wie had nou van die luxe-papieren als je elke gulden, die je vrij had, belegde in een snipper land? Alleen Wubbing en Oldenhuis en de dokter en de notaris hadden aandelen, maar die vormden immers de eeuwige uitzondering op de regel van hun armoedige bestaan?

Toen de crisis begon. dachten zij, dat het ver van hen af zou blijven, daarginds. Bij hen ging het leven immers voort zoals het al eeuwen was gegaan? De ouderen vertelden nog wel eens over de landbouwcrisis van 1880, maar dat was lang geleden en bovendien was die toch ook voorbijgegaan?

Toen het menens werd , toen zijzelf merkten dat de crisis hun leven veranderde, toen werd het anders. Verbaasd keken ze op, toen ze merkten dat de jaren twintig met hun welvaart voorbij waren. Het was niet langer veraf maar dichtbij. Het ging om hun bestaan. Ze kwamen geld tekort. Het koren, dat ze verbouwden, de aardappels, de bieten, ze kostten de boeren meer geld dan ze ervoor kregen. Alleen als ze veel geluk hadden, hielden ze er wat aan over. Het gevolg van dit alles was, dat ze in nood kwamen.

Net als de werklozen, die ze zagen verschijnen in de kampen van de werkverschaffing. Ze hoorden hen bezig in de staatsbossen. Waar stukken oud bos bestonden, werden die gekapt. Het was een luguber symbool voor deze tijd: Een bijl aan de wortel van de bomen. En als die bomen waren omgekapt, werden er nieuwe geplant.

Wat veel belangrijker was dan het vervangen van oude stukjes bos door nieuwe bomen, was het ontginnen van heide, dat op massale wijze ter hand werd genomen. Hele complexen heide werden door werklozen als door een groot slavenleger ontgonnen en beplant. Het ontbrak er nog maar aan dat ze die pas gepote bomen na een jaar weer zouden gaan verpoten ... uit werkverschaffing ... De boeren zaten in nood, meer nog dan de werklozen uit de stad. Die kregen tenminste nog een uitkering, al was het heel weinig.

De boeren kregen niets. Als ze nog een stukje heide bezaten, verkochten ze dat - voor honderd gulden de hectare! - aan de staat. Daarna moesten ze de reserves aanspreken om te kunnen leven. Om de pacht te betalen en de andere schulden, die ze hadden.

De oude Drenten, zo zei de notaris, hebben altijd nog wel wat in de kabinetla... en hij voegde eraan toe: In Drenthe valt een erfenis altijd mee, in Groningen bijna altijd tegen. Ze hebben hier meer dan je zou denken.

Dat mocht dan wel waar zijn en dat was misschien wel mooi om bij de borrel te vertellen aan Wubbing en Oldenhuis, die zich dan gestreeld konden voelen, omdat hun boedel ook wel mee zou vallen als het zover was ... Maar wat hadden de andere mensen daaraan? Hun reserves raakten snel op. Als een kind ziek werd, moest de dokter worden betaald. En al kon je drie jaar de aanschaf van een jas overslaan, het vierde jaar moest het er toch van komen. Alles kostte geld. Vooral als je het niet hebt, merk je dat !

De tijd dat er geen geld omging en ieder z'n eigen bakker, boer en wever was, was voorbij. Sinds de schapen verdwenen waren en de scheper niet langer rond kwam eten bij de boeren van het dorp. Mensen maakten hun spaargeld op. Ze keken met schrik naar elkaar en pakten een gouden tientje uit de oude kous om de pacht te betalen. Ze lagen wakker en werden angstig. En een boosheid ontwikkelde zich bij de mensen die zich ontlaadde als de krant op tafel lag met de keurige foto van de altijd gezapige en zich in mooie zinnen hullende Colijn met zijn doodbidders-gezicht.

Eén van de vrouwen uit het dorp pakte de schaar, knipte die foto uit en zei: Ik wil d'r niet langer tegen ankieken.

In een buurdorp ging tot ontzetting van de hele streek een boer failliet. Iets wat bij de boeren nog nooit was voorgekomen en waarvan ze dachten dat het alleen met stadslue, met handelsmensen en andere oplichters kon gebeuren.

Zijn spullen werden tot en met het kabinet, dat twee tientjes opbracht, op straat verkocht. Het hele dorp keek toe. Niemand kocht iets. Alles ging naar vreemden.

 

Het was in die vreemde maanden, toen Hermannus Oldenhuis burgemeester werd, toen Ben Verschuur goed en wel in het huis van de freule was komen wonen, dat overal in het land een nieuwe gedachte ontwaakte. Niet alleen in Drenthe.

In een bepaalde tijd ontstaat bij heel verschillende mensen dezelfde gedachte. De man, die dit gezamenlijke ontwaken onder woorden brengt, wordt meteen gedoodverfd als de nieuwe leider.

Hitler werd, om het dubbelzinnig te zeggen, niet geboren, hij werd gemaakt. Hij was een eindpunt, een kristallisatie.

Wat de Drentse boeren betreft: zij waren eerst lijdzaam zoals dat in hun volksaard besloten ligt. 't Komp toch zoas 't komp, zeiden ze dan. Zie zult 't daorgunner wel veur oes doon. As Oldenhoes 't zeg, zal 't wel good wezen.

Nu veranderde dat. Overal tegelijk, binnen en buiten het oude landschap brak die gedachte door, die een naam kreeg en een beweging werd: Landbouw en Maatschappij.

In het dorp op de Hondsrug, waar tot voor kort de machtsverhoudingen vast lagen, begon nu van alles te veranderen. De leiders Oldenhuis, Wubbing, en hoe ze verder ook mochten heten, waren liberaal. Gematigd, maar duidelijk liberaal op een patriarchale manier. Zij zetten hun stempel op het dorp, gesteund door de notabelen, maar ook door veel kleinere boeren en door de middenstand. Deze leiders waren de rechtstreekse voortzetting van de oude eigenerfden, die vanaf de middeleeuwen de zaken in Drenthe beslisten.

De S.D.A.P. was wel groot aan het worden, maar ze leek in die jaren wel buiten de dorpsgemeenschap te staan. Mensen als Jop Snieder, die eigenlijk buiten de dorpsgemeenschap stonden, vormden met een Friese schoolmeester en een enkele landarbeider het kader van deze partij.

De socialisten kregen wel steeds meer stemmen, maar ze hadden nog maar weinig invloed. Dat Oldenhuis burgemeester werd van het dorp was voor de meeste mensen de gewoonste zaak van de wereld. Dat veranderde, toen er een boerenbeweging ontstond die zich niets aantrok van de oude liberale landbouw- en partijorganisaties. Een beweging, die rechtstreeks tot uitdrukking bracht wat bij duizenden mensen leefde, wilde geen gebruik maken van de bestaande kaders.

Een groep, die altijd gezwegen had, kreeg stem en toen er geluid kwam, klonk het als een schreeuw. Een schreeuw, waarin pijn doorklonk maar ook triomf. Pijn om alle geleden onrecht. Triomf omdat het mogelijk bleek over die pijn te spreken en zelfs gehoor te vinden. Er was in die jaren een opwinding gaande, die onvoorstelbaar was. Zeker voor mensen zoals Ben, die zich in het begin verkeken op de uiterlijke rust van de Drentse dorpen met hun naar binnen gekeerde huizen met de tuinen, die er als een stille, besloten hof omheen liggen.

In het dorp waren de mensen even opgewonden als elders. Zoals het in de beweging als geheel ging, zo ging het in elk dorp afzonderlijk: enkelen spraken uit wat velen dachten. Dat werden de nieuwe voormannen. Het waren heel uiteenlopende figuren. Oude liberalen, dragers van bekende namen, mensen, die hun geluk bij alle vorige bewegingen hadden beproefd, mensen met een ontevreden blik om de mond geboren en voorgoed met het verkeerde been uit bed gestapt.

Er waren veel mensen bij, die tot nu toe niet aan bod waren gekomen. Mensen uit de groep, die in stond tussen de eigenerfde boeren en de arbeiders.

Tot die laag behoorden ook de Jalvings. Zij waren immers als arbeiders begonnen en bezig op te klimmen tot de bovenlaag der grote boeren, toen de crisis hun opwaartse beweging brak.

Geen wonder dat in het dorp van Hermannus Oldenhuis juist de Jalvings voorlieden werden van de nieuwe beweging.

 

Ze zaten aan tafel toen ze de advertentie lazen. Er zou een protestvergadering worden gehouden in Assen. Een voorman van de beweging, een boerenzoon, die in Den Haag woonde, maar uit het noorden afkomstig was, zou er een rede houden.

Kiek ies vaoder, zei Hendrik. Daor gao wij hen. Hij vroeg het niet. Hij zei het. En Rieks, moe van alle tegenslagen en met die fatale datum steeds in het hoofd - mei in plaats van november - keek bewonderend naar hem op. Zo sterk als die jongen was en zo rechtvaardig.

Geert was zachter, spraakzamer, Maris stiller, maar Hendrik was kort en zakelijk, krachtig. Met zijn witte haar, zijn zelfs in de winter gebruinde gezicht en zijn blauwe ogen, leek hij wel een figuur op een aanplakbiljet. Hij lachte zelden. Een wonderlijke ernst lag over zijn gezicht, maar áls hij lachte, zag je gave, witte tanden.

Ik gao met dij, zei Geert.

Maris wilde niet. Ik moet hen domnee, zei hij. Mondharmonikaclub.

Als het avond was, zomers, zat hij buiten achter op het erf, zodat niemand hem kon zien en speelde. Zijn weemoedige muziek klonk op tussen de bomen en leek de eindeloze voortzetting van één en dezelfde vraag. Die muziek klonk, tot vrouw Wubbing liet vragen of hij niet kon ophouden.

Hendrik keek Maris aan, maar zei niets. Hij had vaak genoeg gezegd wat hij ervan vond: verspilde tijd. Die hele mondharmonikaclub was trouwens een verkapte catechisatie, vond hij en ook daar moest hij niets van hebben. Z'n ouders waren geschrokken, toen hij op een keer heel rustig maar beslist zei, dat hij er nooit meer heen wou, omdat al die godsdienst je in het leven toch geen steek verder hielp.

Terug: Index feuilleton