Terug: Index feuilleton

Het jaar van de ooievaar - Gerard Nijenhuis

Aflevering 19

Geloof je werkelijk dat het komen zal? vroeg Ben aan Jop, toen deze hem had uiteengezet wat het socialisme voor hem betekende en waarom hij geloofde in de komst van een klassenloze maatschappij. Ben zat naast Salomo in een laag leren fauteuiltje. Van dominee Wiegers geërfd, zei Jop. Van de kerk naar het proletariaat, da's toch mooi, hè? zei hij rustig, terwijl hij een naad opentornde van een jacquet, dat hij voor de notaris vermaken moest.

't Is toch te gek, dacht Ben. Voor alle notabelen en rijken maakt hij de kleren, terwijl hij ondertussen denkt aan hun ondergang !

Ja... zei Jop. Hij had het een paar keer herhaald, nadenkend, zoekend naar de scherpste argumenten voor de ondersteuning van zijn stelling. Deze wereld kan toch niet bestaan? Die razernij van Hitler, dat houdt toch geen stand? Merkwaardig, dacht Ben. Net of ik bij Frederikse zit. Die zelfde eenvoud. Die zelfde verwaarlozing van alle uiterlijkheden en dat zelfde hartstochtelijke geloof in de goede afloop. En nog humor ook. Dat laatste was zeldzaam. Politiek en geloof waren voor hem daarom alleen al vreemde gebieden en gevaarlijke terreinen, omdat de beoefenaars ervan altijd zo ernstig waren en geen grapje konden velen. Ds. Wiegers en Jop Snieder waren heilzame uitzonderingen op die regel.

Je kan ook veel dichter bij huis blijven, zei Jop. Sal weet wel wat ik bedoel als ik zeg dat in dit dorp elke gulden alleen loopt.

Alleen ik snap het niet, zuchtte Ben.

Dat zeggen de mensen hier, zei Jop. Om duidelijk te maken dat ieder, die één gulden méér heeft dan een ander, niet met die ander wil omgaan. En dat is het kenmerk van de burgerlijke maatschappij !

Ben lachte. Ik dacht nog wel, dat jullie zo één waren met je naoberschap en je marke en alles 'mandelig'. Zo heet dat toch als je alles gemeenschappelijk in eigendom hebt? Dat was ook zo, zei Jop.

Maar vergeet niet, dat het gemeenschappelijke bezit al lang verdeeld is. Toen de kunstmest kwam, kon de heide ontgonnen worden en toen eisten de eigenerfden hun deel op. Toen zeiden ze opeens: 'Maandegoed (gemeenschappelijk bezit) is schaandegoed !' Toen pas werden de Oldenhuizen en de Wubbings echt rijk.

Ben dacht aan Frederikse en aan Olga en zei in zichzelf: Verdomme, wat kan het ook schelen, als ik maar van haar mag houden. Hij keek Sal afwezig aan en glimlachte zo tegen hem, dat de jongen opnieuw begon te blozen en Jop bijna de oudste van zijn twee leerlingen een standje had gegeven, omdat die zo afdwaalde tijdens de les.

En hoe denk je dat het zal veranderen? vroeg Ben.

Jop zweeg. Hij zat met een draad in zijn mond, die hij tandenknarsend - ook dat was toepasselijk - doorbrak.

Verwacht je iets van de onrust, die nu onder de boeren heerst? Ik heb van Geert Jalving gehoord, dat ze bezig zijn met het opzetten van een aktie om tegen de regering te protesteren. Denk je dat die ontevreden boeren jouw revolutie op gang zullen brengen?

Jop schudde van nee, hij deed de draad door de naald, begon weer met vlugge bewegingen te naaien aan de begrafeniskleding, waarmee de oude wereld begraven zou kunnen worden. Hij zei: Nee, daar verwacht ik niks van. Boeren zijn altijd conservatief. Dat zit in hun aard. Ze hangen aan hun grond, ze verplaatsen zich niet. Voor de revolutie is verandering nodig. Nee, van de boeren verwacht ik niks, die zitten waar ze zitten. Ze proberen er alleen maar meer bij te krijgen. Of het nou de Wubbings of de Jalvings zijn, beiden doen in wezen hetzelfde, alleen de een op grotere schaal dan de ander. Ze hebben wel ruzie, maar, om 't in kleermakerstermen te zeggen: 't Is van hetzelfde laken een pak.

Hij wachtte even. Ik ben wel bang, zei hij, dat die ontevreden boeren in verkeerd vaarwater terecht zullen komen. Rieks is zo fanatiek en zijn zoons zijn nog erger.

Maar Geert is mijn vriend, zei Sal.

En de mijne ook, zei Ben. Hij doet voor niks mijn tuin. Hij zei het alsof het een afdoend argument was en Jop glimlachte om die grote man, die nog net een jongen leek, haast niet ouder dan Sal.

't Zijn geen slechte mensen, zei hij, dat zei ik ook niet, maar er kan misbruik gemaakt worden van mensen.

Ja?

Ik ben bang voor Hitler, zei Jop. Zijn gezicht was stil. Die oostenwind bevalt me niet. Hij komt niet ver genoeg hier vandaan. Ik hou meer van de koude bries van de Russische steppe dan van de mist uit de Duitse bergen. Nee, jongens, ik ben bang voor die man. Als ik dat gebral hoor, ik kan gelukkig niet verstaan wat ie zegt, maar toch ... ik ben er bang voor.

Ik ook, zei Sal rustig. David zegt: ik sla hem op zijn bek, maar vader is bang voor hem en ik ook.

Jop keek naar de joodse jongen voor hem. Hij huiverde even. Hij zei: Ik hoop dat 't gezond verstand zal overwinnen, daarginds, hij wees met een hoofdknik naar achter zich, waar het oosten lag, en hier in ons dorp.

Ze waren alle drie ernstig geworden. Ze zonken weg in hun gedachten. Ze hielden alle drie van dit dorp en waren er tegelijkertijd angstig over. Merkwaardig was, dat zij alle drie vreemdelingen waren. Sal, omdat hij tot de joodse gemeenschap behoorde en niet alleen op zaterdag een heel ander leven leidde dan de mensen in dit dorp. Jop, omdat hij weliswaar hier geboren was, net als Sal trouwens, maar toch duidelijk door zijn afstamming een vreemde bleef. Vooral ook door de Socialistische Partij, waarvan hij de aanvoerder en wat meer betekende het symbool was. Ook al stemden steeds meer mensen op die partij, hij bleef toch een vreemde. En Ben, nou ja gewoon, omdat hij Ben Verschuur was uit Den Haag.

Tja mensen, zei Jop, wie zal zeggen, hoe het afloopt? Misschien moeten we nog door heel wat ellende heen voor het beter wordt...

Sal stond op en zei: Ik moet nu echt naar huis.

Het was woensdag en zijn vader bezocht altijd voor het einde van de middag, als de moeders met kinderen verdwenen waren uit de winkel, een paar oudere klanten, die niet meer in staat waren om zelf te komen. Sal paste dan op de winkel, hielp de klanten, trok rollen stof van de plank en mat met de stok de coupons af, die de mensen hebben wilden. Rustig en snel deed hij wat gedaan moest worden zonder veel te zeggen. Sommigen vonden hem stil, maar zijn blik vergoedde veel, omdat hij de mensen verlegen en zachtmoedig aankeek. Op hun beurt keken zij met plezier naar die donkere jongen, die in hun dorp geboren was en hun taal sprak, maar die toch uit een heel andere wereld kwam dan zij.

Er waren klanten, die met opzet, toen ze eenmaal ontdekt hadden dat hij op woensdagmiddag-tegen-de-avond de winkel deed, dan kwamen om iets te kopen. Een van die mensen was Onno Wubbing.

De eerste keer dat hij kwam, had Sal verwonderd opgekeken van de rol stof, die hij bezig was weer op de plank terug te leggen. Onno? Zou die wat komen terugbrengen voor zijn vrouw? Onno bleef vlak bij de deur staan alsof hij niets wilde kopen, maar alleen hem van een afstand een boodschap wilde toeroepen. Sal bleef in afwachting met de rol stof op zijn armen staan.

Ik heb een knoop van mijn jas verloren, zei Onno en wat Sal opviel, hij glimlachte niet, zoals bijna altijd, maar hij hield de lippen stijf gesloten en keek de jongen doordringend aan. Van de weeromstuit begon Sal te lachen en zei: En durft u niet naar huis zonder die knoop?

Nu lachte Onno ook, kwam dichterbij, stond bij de toonbank en voor ze het wisten, waren ze in een heel gesprek gewikkeld, waarin Onno vroeg, wat ze op school leerden, welke vakken hij had en wat hij het mooiste vond, het interessantste. Merkwaardig, Onno, die anders altijd zo stijf en harkerig en onhandig was en maar wat 'gnees' met een bleek, flets gezicht en te lichte ogen, werd levendig en leek veel jonger dan hij was. En wat hij anders ook nauwelijks deed, omdat hij zo bezig was met zijn eigen dingen, hij luisterde.

Sal vertelde. Over school. Over de wiskunde, die hem boeide, omdat het een spel was. Een kristal, waarin je van vele kanten af binnen kon wandelen om overal eendere vlakken te vinden en glinsteringen en opnieuw vlakken tot in het oneindige. En lijnen, die uiteenweken om tenslotte toch weer samen te vallen.

Onno vertelde over het Grieks, dat hij geleerd had en hoe de leraar Homerus met ze vertaalde en hoe hij door die leraar mensen had gevonden, die duizenden jaren geleden hadden geleefd en die toch even dichtbij waren als de mensen van deze tijd.

Ze vergaten de knoop en tenslotte keek de moeder van Sal door het kijkglas in de deur, kwam de winkel binnen en ging Onno een hand geven: Dag meneer Wubbing.

Het eind van het liedje was dat hij zonder knoop vertrok, omdat zij overal aan dachten behalve aan die knoop van Onno's jas. Zodoende kwam hij een week later weer, precies op dezelfde tijd. Maar toen was er een andere klant, zodat Onno wachten moest en Sal kreeg haast medelijden, zo opgelaten stond hij daar, terwijl Sal de klant hielp, die vragend naar Onno keek, niet begrijpend wat een hereboer moest in een manufacturenwinkeltje.

Toen die klant weg was, was Onno stug geworden. Hij zocht de knoop uit en verdween. Ook nu glimlachte hij niet zoals anders. Hij was bleek en verstrooid, betaalde, stond nog even bij de deurmat, keek naar de jongen achter de toonbank, die niets zei en verdween.

 

Merkwaardigerwijs moest Sal in die week telkens aan hem denken. Vaag ongerust vroeg hij zich af of Onno weer zou komen op de volgende woensdag. Maar dat is onzin natuurlijk, zei hij tegen zichzelf. En toch was hij er niet gerust op.

Toen hij die middag, nadat hij thuisgekomen was van Jop Snieder, in de winkel stond en hielp, keek hij telkens, ook als hij met een klant bezig was, naar buiten, zodat tenslotte de klant ook om ging kijken alsof er iemand binnenkwam. Sal werd hierdoor in verlegenheid gebracht en bloosde. Met zijn oogwimpers over zijn donkere ogen even trillend, zei hij: Ik dacht dat ik iets hoorde. Tenslotte was het zo, dat hij ook werkelijk iets kon horen, want terwijl er in de gehele streek tot aan het Holt maar enkele auto's reden, hoorde hij in de verte een auto aankomen. Aan de droge hoest hoorde hij dat het het fordje van Wubbing was en wat hij vreesde gebeurde. De auto hield stil voor hun huis. Onno stapte eruit, klapte het portier dicht en kwam de winkel binnen.

Sal was toen het liefst achter de toonbank gekropen, in die vreemde lege winkel, die hij opeens zag door de ogen van de bezoeker en waar het muffig rook naar stoffen. Die winkel, waar de vreemdste, haast onvindbare dingen te koop waren, zoals charatels en kussenslopen, jaeger-ondergoed en tricot-vesten en niet te vergeten: hoezen voor over de stoelen, voor de mooie kamer van de boeren, als die aan de winterslaap begon en alle meubels werden ingepakt. Zonder te weten waarom, schaamde hij zich. Schaamde zich, omdat hij, een jongen, een man bijna, hier stond om Onno Wubbing met zijn trotse magere gezicht een knoop te verkopen of, zoals nu, een doosje zakdoeken, die Onno nodig had, omdat Olga jarig was en hij niets beters wist te geven!

Sal was nog stiller en terughoudender dan anders, maar Onno was uitdagend, voor zijn doen althans. Hij was vrolijk en begon opnieuw over school, zocht als 't ware de weg terug naar hun eerste gesprek om zo in contact te komen met de jongen, die, zoals hij heel goed voelde, zich terugtrok en waarschijnlijk vurig hoopte, dat er tien klanten tegelijk binnen zouden komen. Maar er kwamen geen klanten. Het was november en koud en de lichten waren al aan, al was het nog pas vijf uur.

Onno praatte over alles, zelfs over de Jalvings. Toen zwegen ze opnieuw en Sal hoopte dat hij weg zou gaan, maar wilde tegelijkertijd dat hij zou blijven zonder dat hij wist waarom.

Wil je eens met me op jacht?

Onno leek zelf wel geschrokken van die vraag. Hij glimlachte tenminste en werd daardoor weer de Onno Wubbing, die Sal vanuit de verte kende, van 't voorbijgaan door de straat of van de keren, dat hij hem gezien had in het Holt.

Sal zei: Hoe bedoelt u? en bloosde, omdat hij heel goed wist wat Onno bedoelde.

Onno zei: Ik ga soms alleen op jacht, zonder drijvers en alleen met de hond, dan zwerf ik door het veld. Je weet niet hoe mooi dat is.

Hij was zo jongensachtig toen hij dat zei dat de tegenzin van Sal afviel en ook het onsympathieke. Hij dacht aan het grote veld en vroeg zich af wat de mensen zouden zeggen als hij daar zou lopen samen met Onno.

Onno zag de verwarring bij de jongen, begreep wat er in hem omging en zei: Als 't niet kan, is 't ook goed natuurlijk.

Sal zei: U jaagt toch altijd op zaterdag?

Ja ... ?

Nou dan kan ik toch niet?

Onno keek even: Ach ja, zei hij zacht en weer was dat zo argeloos. Wat stom van mij.

Maar misschien ga je eens mee op een andere dag?

Dan zit ik toch op school?

In de kerstvakantie dan?

Goed, zei Sal, half om ervan af te wezen, half omdat hij het wilde: In de kerstvakantie.

Terug: Index feuilleton