Terug: Index feuilleton

Het jaar van de ooievaar - Gerard Nijenhuis

Aflevering 17

Jalving had thuis gezegd: Ik moet met Oldenhuis praten.

Over Gerhard? vroeg Jakob.

Zijn ouders zeiden niets en Jakob dacht aan zijn vriend en hoe hij gehuild had over het huis.

Nee, zei zijn vader. Niet over het huis.

Toen ze de boerderij hadden gebouwd, drie jaar geleden en geld hadden geleend van Gerhard's vader, had Jalving zijn jongste zoon bij zich geroepen en tegen hem gezegd: Jakob, most ies lustern: doe most neet tegen Gerhard zeggen, dat wij geld van zien vaoder hebt.

Jakob stond voor hem en zei fier: Maor wij bent kameraod en wij vertelt 'n kaner alles!

Jakob was zo'n open kind, met z'n donkerblonde piekhaar en de rode glans op zijn bolle wangen. Er zat geen kwaad in hem. Hij kon niet liegen. Als hij het toch probeerde, moest je wel lachen, zo onhandig deed hij het. Vader had hem moeizaam uitgelegd, dat het toch hun vriendschap kon beénvloeden als hij wist, dat Jakob's familie geld van zijn ouders had geleend. Hoe zou hij ooit met Gerhard ruzie kunnen maken als hij bang zou moeten zijn, dat zijn vader dan de hypotheek op zou zeggen?

Maor wij hebt jao nooit roezie, vao !

Zijn vader glimlachte en schudde het hoofd. Dat was maar een voorbeeld. Geldzaken, zei hij, dat is wat voor grote mensen, dat is niet veur kinner.

Maor waorum vertelst stoe 't mij dan?

Dat was waar, maar zijn vader zei: Je zou het kunnen horen van anderen, van Onno Wubbing bijvoorbeeld en dan zou je 't onwillekeurig aan Gerhard kunnen vertellen.

Maor Gerhard kan 't toch ok heuren en 't is toch gien schaande?

As Gerhard 't heurt, good, dan wet e 't. Maor van oes zal e 't niet heuren, begrepst stoe dat?

Jakob begreep het niet. Het leken wel redeneersommen, die zijn vader hem opgaf. Die snapte hij ook nooit: Een trein gaat van A. naar B. en een auto rijdt van B. naar A.... Gerhard reed van 't dörp naar 't Holt en Jakob van 't Holt naar 't dörp. Waar zouden ze elkaar tegenkomen als ze niet over de hypotheek zouden praten?

Later, toen hij Gerhard weer zag, slikte hij even. Hij had de neiging meteen te zeggen: Wij hebt geld van je volk.

Hij had ook het idee als hij naar hun huis keek, hun nieuwe boerderij, waar hij zo trots op was, dat het huis van Gerhard was en niet meer van hen. Maar dat duurde niet lang. Hij was veel te spontaan om lang bij zoiets stil te staan. Hij zwierf opnieuw met Gerhard door het wijde veen, waar de sloten kromme lijnen sneden door de graslanden, waar het vee school voor de zomerhitte bij de enkele eikebomen, die middenin het land stonden. Ze vingen er kikkervisjes in de sloten en tuurden er naar de leeuwerik, die zingend opsteeg en tot bij de zon leek op te klimmen om te vertellen van de hitte, die als een deken over de aarde lag.

Ze zwommen er ook in het diepje - veel fijner dan in het zwembad, dat pas geopend was in het bos bij het dorp - en heel wat goedkoper, zei Annechie.

Ze keken met verbazing naar de ooievaars, die stil stonden bij de sloot, plotseling een beweging maakten met hun lange hals en in één slok een kikker naar binnen werkten. Of zelfs ook wel een mol, die ze met een paar slagen van de snavel in stukjes hakten.

Jakob wist precies of 't één van hun ooievaars was of één van het nest van Onno en Olga. Dat is oezende, zei hij, en dennende is van Onno.

Toen zij het nieuwe huis bouwden, was er opnieuw een rad, een wagenwiel, op de schuur gehesen en door de jongens vastgemaakt. Ze hadden er takken opgelegd en afgewacht. Ze waren zo gelukkig geweest en trots en blij toen de ooievaars - eerst één, die vooruitkwam en alles verkende - toen later de tweede - weer terugkwamen op het erf. Elk voorjaar was dat een spanning of ze kwamen en waar ze het eerst zouden zijn, bij hen of bij de Wubbings. Gerhard leefde in alles met hen mee.

Soms zei Rieks Jalving tegen zijn vrouw: Wij hebt d'r haost 'n zeun bij. En Annechie zei wel eens: Zul 't heur niet te bar worden, hie is haost meer hier as in zien iegen hoes. . .

 

Toen Jalving bij Oldenhuis in de opkamer zat, wist Hermannus meteen waarvoor hij kwam. Hij had hem eigenlijk al een week eerder verwacht, toen alle pachters hun huur kwamen betalen. Die dag - de eerste november - was het druk in het huis aan de brink. De keuken deed dienst als wachtkamer en Marchien en Roelien zorgden voor koffie, terwijl Hermannus ze één voor één ontving. Die dag stond de deur van de brandkast open - maar Gerhard mocht niet in de opkamer komen en had er nog steeds niet in kunnen kijken.

Jalving was die dag niet gekomen. De anderen, die wél gekomen waren, waren stiller dan andere jaren. Hoewel de pachten verlaagd waren door de regering, hadden de mensen toch moeite om het geld op te brengen.

De pachters wisten niet goed of ze burgemeester moesten zeggen of gewoon Oldenhoes zoals ze altijd hadden gedaan of Hermannus zoals zijn leeftijdgenoten gewend waren.

Het was een onwezenlijk jaar vond Hermannus. Net alsof alles op springen stond. De gezelligheid van vroeger jaren, als er een goede oogst was geweest, zodat de mensen het wat ruimer hadden, was verdwenen. Er lag een waas van armoede over de gezichten.

Jalving was niet gekomen, zodat Hermannus tegen Roelien zei: Ik weet niet, of 't wel goed is daar.

Wat moest hij doen als Jalving het geld niet had?

 

Nu zat hij tegenover Hermannus in de opkamer. Hij hield zijn pet in de hand, tussen zijn knieën en draaide die almaar in het rond. Ze praatten over alles, over het land, over het dorp, over de kinderen. Zo ging het hier altijd.

Jalving zei: Dat was ok wat met Gerhard, lest...

Een schaduw vloog over het gezicht van Hermannus. Hij dacht niet alleen aan Gerhard, maar ook aan de tekeningen, die hij verbrand had in de kachel. Hij had aan Van Eck nieuwe moeten vragen, omdat de andere - zoals dat zo mooi heette - in het ongerede waren geraakt.

't Is aans 'n lief jonkie, zei Jalving.

Toen zwegen ze en Jalving dacht: Hoe moet ik erover beginnen, dat ik het geld niet heb? Hij was het liefst weer opgestaan en weggelopen. Naarmate hij er langer zat, maakte een vreemde grimmigheid zich van hem meester. Hij zei: Oldenhoes kan mien boerderij wel kopen . . .

Hij was erheen gegaan om uitstel te vragen. Om te vragen of hij mocht proberen in mei, als hij de volgende termijn moest betalen, het dubbele bedrag op te brengen.

Oldenhuis keek verbaasd op. Wat bedoel je?

Ik heb 't geld niet. Ik kun net de pacht betaolen, maor meer is d'r niet.

Hij glimlachte triest en dacht aan zijn zoons, hoe woedend ze zouden zijn als ze hoorden wat hij zei. Als ze merkten dat hij het huis te koop aanbood! Dat was het beroerde. Thuis nam je je van alles voor. Je zou het hoofd hoog houden. Maar hier in het voorname huis en in de opkamer, waar je altijd werd binnengelaten, met die brandkast tegen de muur, alsof het hier de bank van lening was, met die rij boeken op het bureau, goud op snee, voelde je je weer afhankelijk worden. Hij had tegen de jongens gezegd: Als Oldenhuis kwaad wil, kan hij het huis laten verkopen. Ja werkelijk, als je de rente en de aflossing niet betaalde, dan kon je huis verkocht worden en dan moest je eruit ! Was er in de streek niet een fabrikant, die links en rechts hypotheken gaf om dan, als de boeren de rente niet meer konden betalen, de boerderijen goedkoop in handen te krijgen?

Daachst stoe dan, dat ik dat ok dee, Rieks? zei Hermannus. Wat woj nou?

Hij deed verontwaardigd bij die gedachte, maar eerlijk gezegd, had hij tot op het ogenblik dat Jalving kwam nog niet geweten, wat hij moest doen. Er was zoveel aan het veranderen in het dorp. Er was onder de boeren een beweging op gang gekomen, waar hij buiten stond. Hij had van Onno gehoord dat de Jalvings - de vader met zijn beide oudste zoons - er de koplopers van waren. Hij had Onno nog om raad gevraagd, toen hij merkte dat de Jalvings niet kwamen om te betalen. Hij was op een avond naar het Holt gereden en had zich opnieuw verbaasd over de afwezige, dromerige blik van Olga. die bijna geen woord gezegd had. Ze had zich verontschuldigd en was vroeg naar bed gegaan.

Onno had gezegd: Ik heb je toch gewaarschuwd? Wij zitten er al jaren mee. Altijd ontevreden en opstandig. Willen nooit de verhogingen betalen. De vrouw is wel goed, Annechie, maar de jongens stoken de vader op. Ze kijken mij niet meer aan, groeten me niet eens, terwijl we toch naast elkaar wonen.

Hermannus hoorde die woorden, maar luisterde niet. Ze pasten niet bij het beeld, dat hij van het dorp had. In dat beeld had ieder zijn vaste plaats. Ook de Jalvings. Alleen, ze moesten niet zo opstandig zijn. Per slot van rekening waren ze met zo goed als niets begonnen !

Nu Jalving bij hem zat en deemoedig was, gebroken en oud, had hij medelijden met hem. Ze waren even oud, Rieks en hij. Maar wat een verschil! Als hij in de spiegel keek, zag hij geen rimpels en geen grijze haren. Jalving's gezicht was even grauw en gegroefd als de grijze korrels van zijn pas ontgonnen heideveld.

Toen Jalving kwam, wist hij nog niet wat hij zou doen. Ging dat niet altijd zo bij hem, dat hij van te voren niet wist wat hij zou beslissen? Dat was vooral zo, als het ingewikkeld werd. En als het om mensen ging. Hij liet het dan op het ogenblik zelf aankomen.

Dat had hij nu ook gedaan. Toen Jalving tegenover hem zat, in de war was, zijn huis te koop aanbood, werd hij opeens weer de man, die geen misbruik wilde maken van zijn macht. Toen was hij weer de edelmoedige. Zijn ogen straalden, maar getemperd, voorzichtig. Hij liet zich, eenmaal op die weg, meeslepen door zijn eigen gedachten. Het ene woord bracht het andere voort, vooral als wat hij zei, aansloeg bij de ander. Eerst was hij van plan geweest het uitstel, dat hij verleende, te koppelen aan een afspraak dat Jalving niet langer deel zou uitmaken van de radikale groepering, die inging tegen de gevestigde organisaties, waartoe Hermannus behoorde.

Maar toen Jalving bij hem zat en weer Rieks was, de dorpsjongen, de arbeider, die met hulp van de grote boeren bezig was vooruit te komen, toen hij hakkelend en wel om een gunst vroeg, vergat Hermannus alle voorwaarden. Zijn stem was gedempt, zijn ogen werden klein en glimlachten en hij zei: Nee, Rieks, doe daachst toch niet, dat ik dij gien oetstel geven zul? Wij praot in 't veurjaor wel ies weer.

Een last viel van Rieks af. Hij wilde wel terugvliegen naar het Holt en toch ... Tegelijk voelde hij zich vernederd en nog meer vazal dan voor die tijd. En naarmate Oldenhuis praatte, uitweidde, een monoloog hield over het nut van landbouworganisaties en tenslotte zelfs over zijn bouwplannen begon en hem de tekeningen liet zien van het nieuwe huis, werd hij neerslachtiger.

Toen hij thuiskwam, zaten ze allemaal rond de tafel, behalve Jakob. Toen ze hem aan zagen komen, konden ze haast niet geloven, dat het goed was afgelopen, zo stil en bijna verslagen stond hij in hun midden. En het ergste was dat het niet goed was uit te leggen waarom hij zich zo verdrietig voelde.

Terug: Index feuilleton