Terug: Index feuilleton

Het jaar van de ooievaar - Gerard Nijenhuis

Aflevering 16

Behalve Hendrik en Geert, was er nog een zoon, ongeveer vijftien jaar oud en heel stil, heel anders dan de twee grote blonde zonen en de kleine Jakob, die net zo oud was als Gerhard.

Deze zoon heette Maris - ze spraken dat uit als Meris - en was rossig. Hij zat vol sproeten en zijn blauwe ogen waren afwezig. Hij leek misschien het meest op de moeder, terwijl de twee oudste zoons even fel waren als de vader. Ze leken wel uitslaande branden, dacht Ben en vond dat beeld vreemd, maar verklaarde het door het verhaal van Geert, die het de eerste keer immers steeds over branden had gehad.

De vader had iets van een asceet. Hij had zich alles ontzegd. Hij had gedroomd van het land aan de overkant - aan de overkant van de scheidingslijn tussen rijken en armen, tussen eigenerfden en pachtboeren. Hij had willen overstappen. Hij was de kleine boer, die groot wilde worden. Hij had wel 10 hectare heide - eerst gekocht en toen zelf ontgonnen, aangemaakt. Hij had machines gekocht. Ze stonden in de schuur naast de oude wipkar. En hij had een nieuw huis gebouwd. Nog wel met een rieten dak.

Waarom eigenlijk? vroeg Ben.

Omdat het warm is. zei hij. En omdat de mensen hier dat vak verstaan, vanouds.

Merkwaardig eigenlijk, zei Ben. U bent 'n boeren-revolutionair en toch houdt u zich aan het oude.

Dat woord revolutionair viel niet goed. Hij wist al, dat als de mensen het niet met je eens waren, dat ze dat dan zelden zeiden, maar ze keken je zo afstandelijk aan of zeiden, zoals Jalving nu deed: Als u bij de revolutionairen wilt zijn, moet u naar Lenin gaan.

Hebt u Lenin gelezen? vroeg Ben verbaasd.

Vader bedoelt Jop Snieder, zei Geert,die noemen wij zo. Had u dat nooit gehoord?

Ik heb de pacht betaald, zei Jalving. Maar ik heb geen geld meer en nu komt de hypotheek. U mag 't allemaal wel weten, schrijf 't maar op. Zet 't maar in de krant. Ik ben de enige niet.

Het bleef stil in de keuken. Ze waren geladen. Ze keken gespannen naar hem en Ben dacht aan Frederikse en begon hem gelijk te geven. Boeken waren immers een luxe als je zo moest leven? Afgezien van het feit, dat ze er geen tijd voor hadden om ze te lezen! Wat een heel andere wereld rees er niet uit die boeken op?

Hij was nog steeds bezig met zijn boek over de freule, een soort historische roman, maar hij schoot niet op. Haar beeld, dat hem eerst boeide, toen hij het huis kocht, verbleekte. Als hij over haar schreef, ging ze hoe langer hoe meer op de Franšaise lijken en het was een weinig aantrekkelijke bezigheid om die te beschrijven.

Als hij hier bij deze mensen zat, voelde hij hun nood, zoals hij ook het verdriet van Olga begreep over haar vader, die uit de werkelijkheid van zijn boeken was teruggevallen in de realiteit van de armoede.

Wat moet ik schrijven? vroeg Ben. Wat kan ik doen? Ik lees over werklozen en over blikjes soep, die worden uitgedeeld en margarine. Ik merk zelf ook dat het slecht gaat. Ik krijg ook veel minder betaald dan eerst.

Maar u hebt nog een verdienste, zei Hendrik. De arbeiders ook. Ze verdienen weinig, goed, maar ze krijgen wat. Wij hebben een negatief inkomen.

Taal met een minteken, dacht Ben en glimlachte.

Gelooft u me niet? vroeg de jongen en de vader wilde hem temperen, bang als hij was, dat hij de vreemdeling te hard zou aanpakken.

Zeg dan maar, dat we met verlies werken, zei Geert. We krijgen er de kosten niet eens uit.

En praat dan maar niet over ons werk, zei de vader. Over uurlonen en zo.

Kom, gaan jullie mee melken, Hendrik? Laat Geert maar hier blijven, wij redden 't vandaag samen wel.

Geert bloosde. Ben zei, dat hij terug moest, maar Annechie hield hem tegen en zei: U eet toch zeker brood bij ons? U is zo goed voor Geert.

Zo bleef hij bij hen en toen de vader en Hendrik waren verdwenen in de stal en Geert toch even meegelopen was, huilde Annechie. We kunnen niet meer betalen, zei ze. Wat zal Oldenhuis doen? We waren zo blij, dat hij ons geld wou geven. Drie jaar is het goed gegaan en nou dit... 't Is zo hard voor mijn man en voor de jongens en wat moeten we doen? 't Land dat we zelf hebben, verkopen? Ik weet niet hoe het moet. Je staat ermee op en je gaat ermee naar bed. Je draait elke gulden tien keer om - maar hoe vaak je ook telt, 't wordt toch niet meer, dat kleine beetje wat je hebt. . .

Ze liep naar het raam, tikte ertegen en wenkte Jakob. Most in hoes kommen, 't wordt te laot.

Buiten werd het donker. Ben zat bij hen en voelde zich machteloos. Hij wilde wel woorden schrijven, die hun verdriet voelbaar maakten. Hij wilde de strijd tonen, de zweetdruppels, de rimpels. Maar als hij erover schreef, werd het net de landbouwrubriek uit de krant of de beursberichten en wie las die nou?

Hij kon hun waarheid hier niet overbrengen. Hij zou het misschien kunnen als hij hun huis beschreef, dat er zo verzorgd uitzag, waar elk onderdeel, elk voorwerp de zorg weerspiegelde die eraan besteed was, de liefde, waarmee het onderhouden werd. Of hij zou het kunnen als hij hun gezichten tekende, de bitterheid in de ogen, die je aankeken zonder je te zien. Of als hij vertelde, dat Jakob geen fiets kreeg voor zijn verjaardag - hoewel hij er wel op hoopte en Gerhard er al twee jaar geleden een had gekregen. Wanneer zou het geld voor die fiets er ooit zijn nu de regering zei, dat we moesten bezuinigen?

De landbouw is de sluitpost op de begroting, had Oldenhuis gezegd. Maar die zei het vanuit de veiligheid van zijn oude huis, omgeven door landerijen met een rekening op de bank en een flinke portefeuille effecten.

 

Wel komp daor zo laot nog an? zei Annechie, terwijl ze het broodsnijden staakte.

Dat is Gerhard, zei Jakob en er klonk verbazing in zijn stem. Gerhard kwam binnen maar zei niets.

Dag Gerhard, zeiden ze. Hij keek hen aan alsof hij iets zocht. In een vreemde stilte stonden ze daar in de keuken terwijl Ben voor het raam zat en uitkeek in de schemer en zich afvroeg, wat Olga nu deed. Hij keek naar de jongen en opeens begon hij iets te vermoeden.

Weten je ouders, dat je hier bent, Gerhard?

De jongen stootte met de voet tegen de tafel en zei: Nee.

Och goj, zei Annechie. En 't is al duuster en bist nog zo wied van hoes.

Ik wil niet hen hoes, zei Gerhard. Ik blief hier.

Annechie en Ben keken elkaar aan. Ben zei: Wat is er jongen, was de pap aangebrand?

Gerhard antwoordde niet, keek hem teleurgesteld aan alsof hij zeggen wilde: behoor jij toch ook bij de grote mensen en doe je alleen maar zo vlot om bij ons in het gevlei te komen?

Ben stond op uit zijn stoel. Hij was nu ernstig. Als wij eens samen teruggingen, Gerhard. Ik ben ook op de fiets, onderweg praten we.

Ze willen het huis afbreken, zei Gerhard. Ons huis.

Wie? vroeg Ben verbaasd. De gemeente?

Nee, vader wil het. Dat kan toch haost niet, mien kind, zei Annechie. Dat heststoe verkeerd begrepen. Och goj, 't is ja zun good hoes. Nee, dat kan niet.

Gerhard keek haar aan en zei: En toch is 't zo.

Maor 't is veureg jaor nog opvarfd! Dat har je vao aans vast niet daon.

Maor doe was e nog gien burgemeester, zei Gerhard.

Ben bewonderde hem om de rust, die er van hem uitging. Hij liep naar hem toe, legde z'n hand even op zijn schouder en zei: We eten hier brood en dan breng ik je thuis. Goed?

De jongen keek naar hem op en begon opeens te huilen. Annechie kreeg het er haast te kwaad mee en zei almaar: Zun kind toch en Jakob zei: Wistoe mien kenienen nog even zien, Gerhard? Ik heb net 't hok schoonmaokt.

Toen de jongens weg waren uit de keuken, zei Annechie: Moeten we niet opbellen? Misschien wilt u dat wel even doen bij Onno en Olga? Ze glimlachte. Voor u is dat ja makkelijker dan voor ons.

Ben schudde van nee en zei grimmig: Laat ze maar in de rats zitten.

Ze aten brood; de mannen uit de stal kwamen binnen en zeiden verbaasd: Jij hier, Gerhard?

Annechie zei: Gerhard blef ok bij oes eten en dan geet e met meneer Verschuur weer hen 't dörp, hè Gerhard?

Gerhard knikte. Hij vond zichzelf nu zo belachelijk. Hij begon opeens naar zijn moeder te verlangen en naar haar koele hand op zijn voorhoofd als ze hem toedekte en zich over hem boog. Hij verlangde ook naar Marchien, die ook 's avonds in de keuken zat en de wacht hield over zijn ouders en over hem.

 

Toen ze het pad van de boerderij van Jalving affietsten, stonden ze allemaal in het donker op de pompstraat, zwijgend, als een stille uitgeleide. Annechie wilde nog wat zeggen, maar wist niet wat, zei toen: Döt dien locht het wal, Gerhard? hoewel het duidelijk was, dat het dat deed. Ben had het gevoel, dat zij op weg gingen voor een hele verre reis. En weer had hij het idee, dat hij hier in het dorp zo vaak had, dat hij de mensen, die daar stonden, al heel lang kende.

In het licht, dat door de banderdeur naar buiten viel, zag hij ze staan, de vage figuren in de schemer. Ze vormden een beeld van eenheid en macht: de kleine, magere vader, de moeder, rond en warm en de vier zoons, twee een hoofd groter dan de ouders en de andere twee nog kleiner, maar ook op weg bo- ven hen uit te groeien. Gerhard, die hij van terzijde opnam, was zoveel kleiner, leek het wel, zoveel kwetsbaarder ook, zoals als hij daar, wit en moe, met Ben de terugtocht aanvaardde. Toen ze bij het hek van de Wubbings kwamen, ging daar een deur open en een vrouwenfiguur naderde in draf de straat.

Tante Olga ! zei Gerhard. Zij hield hen staande en vertelde, dat er gebeld was uit het dorp.

Gelukkig, dat jij bij hem bent, zei Olga. Hij keek naar haar zonder haar woorden te horen en werd droef van haar schoonheid. Hij voelde dat zij hier thuis hoorde en ze was zo mooi en hij wilde haar veel vaker zien en het zou nog tot volgende week duren voor ze weer bij hem kwam voor het ruilen van de boeken ...

Ze zei, toen hij niet antwoordde en alleen maar in het schemerdonker probeerde haar gezicht te onderscheiden en wachtte op het verschijnen van een glimlach op haar lippen, een twinkeling in haar ogen: Ga maar gauw, ze zijn zo ongerust. Ik zou net naar de Jalvings om te kijken of hij daar was.

Fiets maar vooruit, Gerhard, zei Ben en gaf de jongen een duw in de rug, zodat deze op gang kwam en enkele meters wegfietste. Terwijl Gerhard dat deed, stapte Ben vliegensvlug af, pakte Olga's arm en draaide haar - alweer naar het huis toegewende gezicht - naar zich toe en kuste haar op de lippen.

Ze gaf een kleine kreet van schrik en hij sprong op zijn fiets en schoot achter de jongen aan, terwijl hij een geluid uitstootte dat het midden hield tussen gehuil en gezang. Toen hij Gerhard had ingehaald, riep hij: Op naar de Indianen, bleekgezichten! Op naar het grote donkere bos!

Gerhard lachte onwillekeurig en was opnieuw blij met oom Ben, die hij niet eens oom noemde, maar - als zijn ouders er niet bij waren - gewoon Ben. Nadat ze eventjes hard hadden gefietst, begonnen ze langzamer te rijden en te praten.

Gerhard was wel ongerust over wat zijn ouders zouden zeggen, maar Ben bezwoer die angst en zei: Ik praat met ze en reken maar dat ze er van langs krijgen!

Ja? zei Gerhard.

Ja, zei Ben. Moet je nagaan: ik koop huizen om ze te redden en jouw ouders zullen ze zeker zomaar afbreken?

Weet je wat ze met al die plannen gaan doen?

Nou? vroeg hij hoopvol.

Verbranden! Gewoon verbranden!

Even verder reden ze langs het huis van de Cohens en zagen Ruben en zijn vrouw zitten aan weerszijden van de tafel, terwijl boven licht brandde, waar Salomo en David zeker zouden staan achter hun lessenaars en hun boeken, als echte rabbijnenzonen bezig - niet de oude boeken, maar die der moderne wiskunde te doorvorsen.

Wil jij later ook zo worden als zij? vroeg Ben.

Nee, ik wil iets als u worden, zei Gerhard. Iets met mensen, of als dominee Wiegers, of gewoon boer, maar dan net als in 't Holt.

Op de brink zagen ze licht branden achter de ramen van het kleine huis van Jop Snieder. De kleermaker zat precies onder de lamp op de tafel. Zijn kale hoofd glom, zijn handen schitterden van de naald, die hen op en neer haalde door de stof in een vlugge, eentonige beweging, waaruit een grote volharding sprak. Alle tijd, die hij niet nodig had voor zijn vergaderingen, besteedde hij aan zijn werk.

 

Toen ze het hek indraaiden, dook een gestalte op uit het donker. Ieder leek die avond buitenshuis te zijn: de Jalvings, Olga en nu weer Gerhard's vader. Misschien wilde hij wel boos worden op zijn zoon, maar hij hield zich in en Ben zei: Ik breng de gevonden zoon terug aan de verloren vader.

Gerhard's vader antwoordde niet. Ze liepen door de schuur het huis in en Gerhard liet zich meevoeren door zijn moeder.

Marchien borg de fiets op, terwijl de mannen besloten, dat het tijd werd voor de koffie. Gerhard ging slapen, verward en moe. Ben zat bij zijn ouders in de kamer en bekeek de plannen. Hij zag het torenhoge huis en probeerde uit te leggen, waarom het hier niet zou staan, maar hij voelde, dat zijn woorden niet doordrongen, omdat Hermannus - ondanks zijn ogenblikken van twijfel - allang besloten had wat hij zou doen. Nu hij Gerhard terug had, die zo stil en afhankelijk als een klein moe kind naar bed was gebracht, was de droom van het nieuwe huis in hem met nieuwe hevigheid ontwaakt.

Ben bleef niet lang, ging vroeg naar huis. Toen hij buiten stond, besloot hij, dat het beter was om de borrel, die hij bij Oldenhuis niet wilde drinken, in het café te nemen.

 

Gerhard werd de volgende morgen vroeg wakker. Hij lag in zijn bed en dacht aan wat er gebeurd was. Hij voelde het huis leven om zich heen - maar gedempt als in een winterslaap. Als de wind bewoog, kraakte het even in het dak en soms hoorde je een vogel krabbelen in de donkere ruimte tussen pannen en dakbeschot.

Door de zolder liepen grote gebinten, waar houten pennen inzaten in plaats van spijkers. Vanuit één gebint ging als in een spinneweb een wirwar van balken naar het dak. In die balken zat hij soms en dacht na. 'Hij hield van schemer, die op zolder heerste en van de lucht van hooi en - in deze tijd van het jaar - van knollen. Een lucht, die doordrong uit de schuur, samen met onbestemde geluiden als van de hoeven van koeien, gedempt door het stro of het zachte gehinnik van Flora, het paard, als ze haar koeken kreeg of haar portie haver.

Lukas en Jan waren nu al weer bezig en het leek allemaal zo ver weg wat er gisteren gebeurd was en zo onwezenlijk. Het was ook onmogelijk! Zoiets kon gewoon niet. Het was als een spannend hoofdstuk uit een boek, waarbij je de tranen haast in de ogen sprongen, terwijl je toch heel goed wist, dat het niet waar was. - Dit kon immers ook niet waar zijn!

Maar het was natuurlijk wel goed om maatregelen te nemen. Hij dacht aan de woorden van Ben, keek op zijn horloge, zag dat het zes uur was, gleed uit bed en sloop de trap af. In de opkamer was het stil en schemerig. Zou hij het licht aandoen? Niemand uit het huis kon het zien, want de gang zat ertussen. Hij deed het aan en zag opnieuw de plannen liggen: de tekening van Van Eck met zijn eigen tekening ernaast. Wat lang geleden leek het nu dat hij die gemaakt had in de klas! Hij pakte vlug de tekeningen van Van Eck, begon die zorgvuldig te verscheuren, wat niet gemakkelijk ging, omdat het tekenpapier stevig was. Hij nam de snippers mee naar de keuken, waar de kookkachel stond; het grote lage fornuis met de emaille deurtjes met de rode roosjes erop geschilderd.

Hè, ik had 't beter in de keuken kunnen doen, zei hij zachtjes tegen zichzelf. Hij moest nu wel drie keer heen en weer, omdat hij heel wat snippers verloor. Elke keer kraakte die ene plank in de gang. Daarom wou vader het huis zeker afbreken! Hij lachte grimmig, omdat het nu toch lekker niet door kon gaan. De snippers deed hij achter het grootste deurtje. Daar lag nog wat as van de vorige dag. Er stond een bak met hout en turven naast de kachel.

Hij pakte lucifers, keek nog eens naar de snippers, waar nu alleen maar gebroken lijntjes op zichtbaar waren en streek de lucifer af. Het brandde onmiddellijk.

Even werd hij er zenuwachtig van toen hij al dat vuur zag en deed gauw het deurtje dicht. Hij keek naar het kleine vleugje rook, dat door de ringen van de kachel in de keuken kwam, snoof de droge brandlucht op en draaide toen het licht uit. In het donker zag hij door de ringen heen het lichten van het vuur en hoorde een onderdrukt gebulder.

Hij liep terug naar de opkamer en zag hoe Oma en Botha tevreden neerkeken op zijn tekening. Hij nam een potlood uit het bakje van zijn vader en schreef met grote letters op zijn tekening: DIT IS ONS HUIS.

Toen deed hij ook daar het licht uit, sloop weer naar boven, luisterde hoe stil het huis was en hoe vertrouwd de geluiden waren die uit de stal kwamen - en wist dat het altijd zo zou blijven.

Hij lag in de warmte van zijn bed, huiverde even van de morgenkou en lag toen gedachteloos te dromen, drijvend in de schemer van de ochtend.

Terug: Index feuilleton