Terug: Index feuilleton

Het jaar van de ooievaar - Gerard Nijenhuis

Aflevering 15

Marchien zou die avond lang alleen in de keuken zitten.

Gerhard's moeder zat stil en dromend in de kamer en vergat de tijd. Gerhard's vader was nog even naar de overkant gegaan en zat bij zijn vriend, ds. Wiegers, in de witte pastorie.

Merkwaardig was die vriendschap tussen twee zo uiteenlopende mannen! Wiegers was erudiet, een lange, knappe, forse man, altijd in een zwart pak met een vest. Hij had een soepele omvangrijke stem, die heel muzikaal klonk. Vaak trof Hermannus hem achter de piano. In de leerkamer naast de pastorie gaf hij niet alleen catechisatie, maar hij dirigeerde er ook een heel mondharmonika-orkest, dat hij had samengesteld uit de dorpsjeugd.

Hij werkte altijd en hij had altijd tijd. Hij zwierf door het dorp, haalde zijn pijp uit de jaszak, stond bij de mensen te praten of liep mee naar binnen en zat bij hen in de keuken. Hij zat altijd vol boeiende verhalen en had daarbij een merkwaardig soort humor gemengd met zelfspot. Hij kon preken, dat de kerk doodstil naar hem luisterde, fel ook als het nodig was, maar vooral gedragen door een beeldend vermogen, dat zich uitte in een taalgebruik, waarbij de woorden als vanzelf op de goede plaats vielen.

Meteen toen ze tegenover elkaar waren komen wonen, waren ze vrienden geworden. De kleine, brede burgemeester, die met zijn ongelijke pas naar de overkant liep en de rijzige dominee, die op zondag in jacquet naar de kerk schreed. Op palmzondag met 20 of 30 nieuwe lidmaten achter zich aan, hij trots als een pauw voorop.

Ze noemden elkaar nooit bij de voornaam. Zelfs nu nog niet, na tien jaar. Ze zeiden je en jij maar verder kwamen ze niet.

Die avond was Hermannus somber, terwijl hij blij wilde zijn. Zijn vriend keek naar hem, zag het en zweeg.

Ze dronken port, keken uit in de donkere avond en de vader van Gerhard dacht aan het nieuwe huis. Hoe het er zou staan, hoger dan het oude, feller van kleur en opvallender.

Opeens wist hij niet meer of hij er blij mee was. Zijn gezicht was wat naar beneden gericht, hij keek van onder uit naar zijn vriend en als hij wat zei, kwam het er haast fluisterend uit. Altijd had hij dat als zijn geest afwezig was. Ook als hij in één van die vele moeilijke vergaderingen zat - werkloosheid, ontevreden boeren, geldtekort overal - kon opeens zijn stem wegraken tegelijk met zijn geest. Dan droomde hij, terwijl hij gewoon doorpraatte, over het nieuwe huis. Soms, tussen de vergaderingen door, liep hij even bij de architect binnen en troostte zich met de aanblik van het ontwerp, dat groeide tot wat het nu was.

Ben je teleurgesteld? vroeg Wiegers, terwijl hij net zo staarde als zijn vriend.

Als hij wegzonk in gedachten kon hij je aanwezigheid vergeten en zijn ogen op je richten zonder je te zien.

Teleurgesteld?

De ander schrok, wist opeens dat het dat was, ontkende eerst en vertelde toen wat er die middag gebeurd was: Hoe hij steeds met Gerhard had willen praten, maar dat het kind altijd haastig was, weg wilde naar het Holt. Terwijl hij vertelde, zag hij de twee tekeningen liggen op zijn bureau - die van de architect en die van Gerhard broederlijk naast elkaar. Hij vertelde hoe het misgelopen was, hoe Gerhard huilde en het hem speet van het kind en dat het zijn fout was, want natuurlijk zou hij blij zijn met het nieuwe huis als het er eenmaal was met op de bovenste verdieping een grote speelkamer.

Wiegers luisterde naar die droge, zachte stem, zag Gerhard voor zich, dat ranke, wat nerveuze kind met zijn heldere ogen en die glimlach om de mond, als hij luisterde naar het verhaal van David en Jonathan. Hij dacht ook aan het verdriet, dat het hem gedaan had, omdat hijzelf geen kinderen had gekregen. Hij dacht aan zijn vrouw, tien jaar geleden gestorven. Daar hing haar portret. Ze was als meisje geschilderd in Drentse klederdracht. Hij dacht zo vaak aan haar en hoe vreemd het allemaal ging en dat hij door haar bij deze mensen hoorde, omdat zij uit een buurdorp kwam en hem had leren houden van dit ongelovige, eigenzinnige en toch zo saamhorige volkje.

Hij zag de man voor zich, die zoveel mee had om de leider van het dorp te zijn, die kracht had en invloed, die toch de aansluiting miste, soms net het verkeerde woord zei of heensprong over wat er bij de mensen leefde, omdat hij het net niet aanvoelde.

Het was soms alsof zijn rijkdom, zijn afkomst, hem vervreemdde van de mensen van het dorp. Hij kon zich niet voorstellen dat hij - zoals Wiegers zelf wel deed - een hele middag bij Jop Snieder in diens kleermakerswerkplaats zou zitten om over Marx te praten.

Was het dat alleen, waar je teleurgesteld over bent?

Gerhard's vader keek hem verrast aan. Hij voelde zich wat opgelucht, nu hij verteld had, hoe het misgelopen was, zoals er zo vaak iets misliep, omdat hij één ding vergat. Ook toen hij burgemeester werd, bleef hij de boer, die gewend is zelf zijn zaakjes te regelen, terwijl hij als burgemeester met zoveel mensen rekening moest houden.

Wiegers was dat veel meer gewend. Hij voelde onmiddellijk wat er in mensen omging. Hij keek je aan en je had het gevoel, dat hij je gedachten las.

Angstig is 't gewoon, zei Tale Hendriks, die op oudejaarsavond naar de kerk ging om het voor een jaar weer goed te maken: Die man kek deur je hen.

Of is d'r meer? vroeg Wiegers, waar je teleurgesteld over bent?

Och, dat niet, zei hij. Maar 't valt me niet mee. De tijden zijn niet gemakkelijk. De mensen zijn ontevreden en ze hebben nog gelijk ook.

Hij wou niet ronduit toegeven hoe zwaar het hem viel. Hij had het burgemeesterschap gezien als een logische bekroning van zijn carrière, maar nu viel het hem tegen.

Hij vond dat de mensen hem lastig vielen met hun vragen. Er kwamen er veel. Moeders van werkloze jongens vroegen hem brieven te schrijven om de sollicitaties van hun zoons naar de meest onwaarschijnlijke baantjes te ondersteunen. En hij schreef die brieven, dichtte van alles en nog wat over Drentse trouw, zuinigheid, plichtsbesef ... om vervolgens zijn eigen epistels met welgevallen hardop voor te lezen. Tenslotte was hij toch elke keer weer teleurgesteld als Marchienus, Aaltinus, Zeger of Jop, de baan niet kregen.

Weet je wat het is, zei Wiegers, jij trekt je alles veel te veel aan als een persoonlijke teleurstelling. Je denkt, dat alles van jou afhangt. En je neemt het de mensen kwalijk als ze niet doen wat jij zegt. Is 't niet zo?

Misschien heb je wel gelijk.

Hij glimlachte en voelde zich bevrijd door deze herkenning. Om bijvoorbeeld vanmiddag te nemen, ging Wiegers door. Jij vindt eigenlijk, dat Gerhard precies zo moet voelen als jij. Jij bent al maanden met dat huis bezig - die jongen weet van niks - maar als hij het plan ziet, moet hij volgens jou meteen enthousiast zijn.

Zijn vriend lachte onwillekeurig. Wiegers had hem er weer uitgetrokken en de port deed de rest.

De kamer met het oude, gele behang, de donkerbruine overgordijnen, het Perzische tapijt op de vloer en de oude meubels was een oase van veiligheid voor hem, waar hij al het andere even kon vergeten. Totdat er opeens haastige voetstappen klonken in de gang, en de deur opensprong. Roelien Oldenhuis stapte binnen. Eigenlijk sprong ze over de drempel, terwijl ze anders zo rustig liep. Ze zei, zonder naar Wiegers te kijken: Gerhard is weg !

De mannen kwamen van heel ver terug. Ze stonden opeens op, Wiegers had het glas nog in de hand en Hermannus leek log en traag. Hij keek zijn vrouw verwijtend aan en zei: Dat kn toch niet!

Hij werd boos. Een ontzettende woede kwam in hem op. Hij was net getroost door de woorden van zijn vriend en weer verzoend met dat stille, ranke zoontje van hem, dat zo anders was dan hijzelf, zoveel minder robuust. Hij was net getroost over het onbegrip, dat hij ondervond en dat hij gelijkschakelde met ondankbaarheid. Waarom onttrok het kind zich altijd aan zijn zeggenschap? Waarom was Jop Snieder zo obstinaat in de raad en viel hem lastig met prikkelende vragen. Waarom was er, net toen hij burgemeester werd, een crisis uitgebroken in de wereld? Waarom stond zijn vrouw hier nu - met Marchien achter zich als een tweede aanzegster van jobstijdingen?

Waarom passen jullie dan niet beter op hem? zei hij grommend.

En Wiegers zei: Hij is natuurlijk gaan spelen en heeft de tijd vergeten. Groot en rijzig stond hij tussen hen in, rustig in alle paniek.

Maar Lukas kwam en zei, dat hij zo overstuur was, zei Roelien; en nu werd zij feller dan ze ooit was en zei: Je had ook eerder met hem moeten praten, Hermannus.

Hij, woest en gekwetst, snelde naar de overkant. Daar stond Lukas op de deel. Hij had het licht aangestoken en zei als een geruststelling: Ik denk, dat ik 't al weet, Oldenhoes, zien fiets is vot.

 

Diezelfde dag was Ben voor het eerst bij de Jalvings. Geert had al een paar keer gezegd: U moet eens bij ons komen. Vader wil met u praten. Hij heeft gehoord dat u stukken schrijft over het dorp.

Ben had net een stuk geschreven over de taal van de Drenten: Het is taal met een minteken. Een Drentse courant had het stukje overgenomen en de mensen hadden de voorbeelden gelezen, die hij ontleende aan de gesprekken met hen.

Tale Hendriks had gezegd, dat ie zichzelf herkende in de garagehouder, die het zo mooi zeggen kon en Mans liet zich ook niet onbetuigd en zei, dat hij altijd wel geweten had, dat Ben Verschuur een geschikte kerel was.

Geef oes nog maor één, Harm, zei hij en hij trakteerde zowaar. Alleen ik begrijp niet, waarom u ons dialect een minne taal noemt, zei hij.

Ben schudde glimlachend nee. Onzin, zei hij. Ik heb geschreven, dat het Drents een taal is met een minteken. Dat is heel wat anders. Ze zwegen beleefd en wachtten op uitleg.

Ik bedoel, zei Ben, dat jullie altijd minder zeggen dan je kwijt wilt. En dat jullie soms het omgekeerde zeggen van wat jullie bedoelen. Als jullie iets heel mooi vinden, zeggen jullie: ' 't Har minder kunt !' Waar of niet?

Ze glimlachten gevleid. Ze gingen zelfs deftig Drents spreken, omdat ze zich opeens bewust werden, dat hun gewone taaltje voorwerp van studie was. Soms zagen ze Ben haastig wat opschrijven in een notitieboekje. Dan stokte de conversatie even alsof ze betrapt waren, maar ze begonnen er aan te wennen en ze vonden het ook gewichtig. Soms herhaalden ze ook wat ze gezegd hadden in de hoop dat hij het op zou schrijven.

Geert zei: Vader wil met u praten. Hij is ergens mee bezig en hij wil uw mening horen.

Zo kwam het, dat Ben op die zelfde herfstdag op zijn fiets opnieuw de weg insloeg naar het Holt. Naar Olga hoefde hij niet. Zij kwam bij hem. Hij reed haar huis voorbij en zat bij de Jalvings, terwijl zij thee dronken, alvorens naar de stal te gaan voor het voeren en melken. Het was een merkwaardig gezin. Hij had verwacht een patriarch te vinden met vier zoons, een kleine heerser op een pas gevestigd troontje. Wat hij vond, was een schrale, magere man met een leesbril, een manchester pakje, een beetje rond in de rug door het vele werk. Hij kon niet ouder dan 45 zijn, maar hij leek haast 60. Hij zat stil naar Ben te kijken, terwijl hij thee slurpte. Geert deed het woord, was opgewonden, omdat zijn vriend op bezoek was. Hendrik, de oudste zoon, was een boom van een kerel. Blond, brutaal, knap. Hij zei eerst niets, maar keek Ben nu en dan aan. Daarna mengde hij zich in het gesprek, veel rustiger dan Geert, met kortere zinnen.

Het zal nu hard tegen hard gaan, zei hij. Nou de beurs is ingezakt, zal ook het grootkapitaal gaan merken wat er aan de hand is. Colijn houdt het niet met zijn olie-imperium.

Gek, dacht Ben, die jongen praat als een politiek programma. Waar heeft hij die zinnen vandaan, welk vreemd evangelie wordt hier aan tafel gelezen? De vader was zachter van stem, maar misschien nog feller, of eerder wrang.

't Is allemaal voor niks, zei hij. Al dat gewroet van ons. We dachten, dat we er waren, hè Annechie, na zo'n dikke 20 jaar ploeteren - en nou komt opeens de klap. Geert heeft ons verteld, dat u alles weet ... ook van dr - hij knikte met het hoofd naar waar ze door het raam het erf van de Wubbings zagen: de roerloze tuin met perkjes en herfstbloemen, de ramen en de oude deur, het scheve, verzakte dak.

Ben knikte terug ten teken dat hij het wist.

Ik kan ze de pacht nog betalen, zei hij. We hebben 't bij elkaar gescheurd, twee koeien verkocht en zo ... En die zitten daar maar.... Van al die pacht, die we door de loop der jaren betaald hebben, hadden we 't allang kunnen kopen. Al lang ! En we komen d'r nooit vanaf !'

Most neet zo praoten, Rieks, zie hebt aait good veur oes west, zei Annechie.

Niemand luisterde naar haar. Ze keken even, maar gingen gewoon door.

Kunt u niet iets over ons schrijven? Uw krant wordt in Den Haag gelezen.

Schrijf over wat u hier ziet, over al die ontevredenheid, die onrust.

Ben zei niets, maar luisterde.

Weet u, de arbeiders in de stad, daar is de vakbond voor, de S.D.A.P., ga maar door. Maar wie is d'r voor ons? Hopeloos verdeeld zijn we over alle partijen. En de mannen van de landbouworganisaties, wat doen die?

Ben keek alsof hij benieuwd was naar het antwoord op die vraag.

Die gaan uit eten, drinken een borrel, zeggen hoe erg het toch is en doen niets, niets.

De boer, die hij onwillekeurig de oude ging noemen, knipte met zijn vingers in de lucht, terwijl de zoons instemmend naar hem keken. Er waren vier zoons. Drie van hen zaten om de tafel. Alleen Jakob was er niet. Die speelde in de hof en sneed fluitjes -van de vlierbos en probeerde ze dan vlak voor het raam, zodat hij toch een glimp van Ben op kon vangen en z'n moeder telkens aan het raam moest dobberen om hem te vragen wat verderop te gaan spelen.

Terug: Index feuilleton