Terug: Index feuilleton

Het jaar van de ooievaar - Gerard Nijenhuis

Aflevering 14

Vader zat met de vreemdeling aan zijn bureau. Het blad was zover mogelijk uitgetrokken. De portretten van Oma en generaal Botha waren opzij geschoven en het hele, uitgetrokken bureaublad werd in beslag genomen door een grijsblauw papier met - zo zag hij in een eerste oogopslag - een wirwar van lijntjes en vierkantjes.

Vader keek met zijn plechtige gezicht. Hij was goed gehumeurd, zag Gerhard, die zich begon af te vragen wat er aan de hand was.

Mijn vrouw zal zo wel komen, hoorde hij vader zeggen. Zij zal ook wel benieuwd zijn naar uw plan.

Toen zag zijn vader hem en zei, half tegen hem, half tegen de bezoeker, die van over een bril vriendelijk naar de jongen keek: Geef eens een hand, Gerhard!

Zo kerel, zei de meneer. Ben jij Gerhard? Hij keek naar de rol in Gerhard's hand, glimlachte en zei: Heb jij ook al een tekening gemaakt voor het nieuwe huis?

Gerhard zag, dat het gezicht van zijn vader plotseling betrok. Zo was het nou altijd, van het ene op het andere moment kon het veranderen. Trouwens, wat was dat met dat nieuwe huis?

Gerhard keek van de een naar de ander, terwijl Marchien tevergeefs probeerde om plaats te vinden voor de theekopjes, totdat ze ze tenslotte maar boven op de ombouw van het bureau zette, waar de encyclopedie stond. Gerhard's vader wilde iets zeggen, slikte het in en zei kortaf: Ga maar spelen, Gerhard.

Weg moest hij, dat voelde het kind heel goed. Een gevoel van verlatenheid overviel hem. De man met de bril keek tersluiks naar vader, toen naar de tekening in Gerhard's hand en zei: Maar hij wil ons iets laten zien, burgemeester, hij heeft het vast op school gemaakt, niet Gerhard?

Zijn vader bewoog driftig het hoofd, maar de man met de glimlach, die bleef duren, al was hij iets beduchter dan eerst - trok de tekening uit Gerhard's hand en rolde hem boven op de tekening op het bureaublad. Gerhard dacht: Zou er een nieuw gemeentehuis moeten komen met een groter bordes voor de volgende zanghulde?

De man keek naar de tekening en Gerhard keek met hem mee en vond opeens zijn tekening niet zo goed meer als eerst. Hij zei: Die serre wou niet ... !

Dan breken we die toch af, zei de man.

Gerhard lachte, maar vader werd nu echt kwaad en zei: Nou is't wel genoeg, vindt u niet?

Maar de man wist van geen ophouden en zei waardig maar beslist: Hoe heb ik het nou, burgemeester, wou u dan het nieuwe huis bouwen en het oude laten staan?

Terwijl hij dit zei, schoof hij Gerhard's tekening opzij, zodat de tekening met het ruitjespapier weer zichtbaar werd en Gerhard opeens begreep, dat het een tekening was voor een nieuw huis, hier op deze plek in plaats van wat ze nu opeens het oude gingen noemen. Zijn huis en het huis van Lukas en van Marchien!

Het kind wist niet hoe hij het had. Hij werd bestormd door gevoelens. In een flits ging het door hem heen hoe zijn vader - toen hij burgemeester werd - sprak over veranderingen en om zich heen keek met een blik alsof hij het huis bedoelde. O, wat gemeen was dat! Ze deden maar wat ze wilden en hij had niets te vertellen en het was zijn huis!

Dat kan toch niet, vader, zei hij vechtend met zijn tranen.

De architect was nu ook in de war en begreep, dat hij niets had moeten zeggen en vader zei: Ga nu maar, we praten er later wel over.

Hij was zo overstuur, dat hij zelfs niet naar Marchien ging, die zacht zong in de keuken en ook van niets wist - maar naar boven, naar zijn kamertje.

Daar, op de overloop, was een deur in het zolderbeschot. Die deed hij open en op de zolder bleef hij staan. Hij ging op de hurken zitten en keek in de grote half donkere ruimte van de schuur, waar als een berg het hooi voor hem oprees, met daarnaast het lagere gedeelte, de koestallen.

Vandaar drongen nu de geluiden van het melken door. Lukas was er bezig met de kleinknecht Jan. Je hoorde het gerinkel van de kettingen en een emmer, die leeggegoten werd in de melkbus.

Als je naar boven keek, zag je hier en daar tussen de pannen een klein kiertje lucht.

Dit huis zou verdwijnen. Dit huis waar hij geboren was, waar hij altijd gewoond had, dit mooie, prachtige, sterke huis, waar hij zo trots op was.

Stil, boven op de zolder, zat hij lange tijd gehurkt, met de handen voor het gezicht en snikte.

Daarna daalde hij af. Er was een trap gemaakt van de zolder naar de schuur, zodat je vlak bij de stallen uitkwam. Hij ging naar Lukas. Ze waren bezig met melken, terwijl de beesten aten van het pasgevoerde hooi.

Een paar stallampen brandden en al die koeiekoppen op een rij, die anders een beeld van vrede en rust vormden, benauwden hem nu.

Lukas keek naar hem en zei later tegen zijn vrouw: Ik zag 't votdaodelek wal, die jong hef wat. Lukas lachte met zijn apostelogen naar hem, vroeg naar school en zei, toen er geen antwoord kwam: Wat was't mien jong, vertel 't Lukas maor ...

En toen begon hij zo verschrikkelijk te schreien, zo hartbrekend, dat Lukas het melken staakte. Hij stond naast de jongen, de bijna oude man met zijn toegespitste gezicht, zijn baardje en z'n grijze haar en hij zei almaar: Gerhard toch. Het klonk als Gerrat. Wat is 't toch, wat is 't?

Tenslotte zei het kind: D'r is 'n man bij vaoder en zie hebt 'n plan en 't hoes mot vot, Lukas !

Gerhard zag aan de ogen van Lukas, dat die er al van wist en daar werd het nog veel erger door, want dat betekende, dat ook Lukas het niet keren kon - en o, god - wie dan?

En Lukas begon zelf bijna te huilen en zei later tegen zijn vrouw: Dat was mij wat, ik begunde zelf zo wat te reren. 't Geet mij ok zo heun aof, Geertien, dat 't weggeet. Ik snap ok niet wat Oldenhoes wil, 't is nog zun good hoes.'

Toen Gerhard wat bedaard was vroeg hij: En jij dan, Lukas, wat gebeurt d'r met jou?

Ik kom op pensioen, Gerhard. Dat wil zeggen, ik krieg 'n betie geld en dan huur ik wat laand van je vao en dan redt wij oes wal. Wij bint jao maor meer met oes beidend.

Maar dat kan toch niet, Lukas, dit huis weg?

Och jong, zei Lukas - en hij huilde toch ook bijna, o, die Lukas huilde: Most maor reken, 't hoes wordt oller en as dien pa gien boer meer is dan kompt 't hum um. 't Is ja veul te groot. En wat zal men d'r van zeggen?

Maar ik dan, Lukas, ik kan toch boer worden!

Lukas zei later: Doar stunne bij mij in de koostal en 't melken kwam heel niet daon en 't is zun fien jonkie en doe zeede dat e boer worden wol. O man dat begrootte mij toch wal zo van dat kind.

Gerhard had toen al begrepen, dat ook mensen, die je het liefste zijn, je soms niet kunnen helpen. Ook Lukas niet, die een soort grootvader voor hem was, die zijn hand op hem legde, die zo mooi vertellen kon en bij wie je altijd aan kon komen, omdat hij tijd had om naar je te luisteren, ook al werkte hij ondertussen gewoon door. Lukas - zo begreep het kind - vond het in zijn hart even erg als hij, maar hij legde zich erbij neer. Hij zei bij zichzelf, wat de Drenten bij alles zeggen wat groter en sterker is dan zijzelf: 't Is ja niet aans? Wat zuj en wat kuj? Dat wil zeggen: Wat zul je eraan doen, wat kun je eraan doen?

Lukas zei, nadat ze even zwijgend bij elkaar hadden gestaan: D'r mot wat gebeuren, mien jong, aans komp 't niet klaor. En hij begon opnieuw te melken.

Dat was zo vreemd vond Gerhard. Wat er ook gebeurde, de dingen namen hun gewone loop. Er ging iemand dood en wat deden ze? De dag na de begrafenis zag je de familie weer naar het land gaan alsof er niets gebeurd was.

Hun huis werd afgebroken. En wat deed Lukas? Hij ging weer aan het melken! Terwijl hij wist, dat alle koeien, alle melkbussen, de hele schuur, wegging, alles, het hele huis.

Hij liep van de koestal de deel op. Daar stond in de schemer van de herfstmiddag, zijn fiets. Op de tast vond hij het stuur. Hij deed de kleine deur van de bander open en stond op de keienstraat achter het huis. Hij liep met de fiets aan de hand naar de brink zonder het licht aan te doen. Hij bukte zich toen hij langs de keuken ging, waar Marchien bezig was met het avondeten. Bij de opkamer hoefde hij minder voorzichtig te zijn. Zijn vader zou wel niet letten op wat er buiten gebeurde, maar opnieuw bezig zijn met zijn tekeningen, samen met de lachkop van een architect.

Buiten was het donker, alleen in het westen was nog wat bleek licht te zien. In het huis waren alle lichten al op. Boven de lindebomen riepen kraaien, die naar huis toe gingen om in het galmgat van de toren te overnachten.

Moeder zat onder de lamp van de kamer met een handwerk op haar schoot. Toen hij haar zag, begon hij opnieuw te huilen, zonder geluid. De tranen liepen over zijn wangen, terwijl hij de dynamo van zijn fiets tegen het wiel duwde. Hij huilde, omdat het niet in hem opgekomen was om naar haar toe te gaan. Toen zag hij dat zijn vader alleen in de opkamer was en voor het raam stond. Zou hij Gerhard kunnen zien? Nee, door de duisternis buiten en het licht binnen, had hij hem beslist niet opgemerkt.

De architect was weg. Die had vader zeker weggebonjourd nadat hij z'n mond voorbij gepraat had.

Onwillekeurig moest hij glimlachen door zijn tranen heen, omdat hij zo van buiten zijn ouders bespioneerde. 't Was net het weerhuisje met het weermannetje en het weervrouwtje. Kijk, nu ging het mannetje met de tekeningen in de hand de opkamer uit - het licht ging uit en de kamer werd donker. Even bleef vader onzichtbaar, toen dook hij op in de kamer met zijn stijve, hobbelige pas. Moeder keek op van haar werk en vader vouwde de tekeningen uit op de tafel van de salon. Moeder was er voor opgestaan en stond naast hem, terwijl ze meer naar vader leek te kijken dan naar de plannen, die hij liet zien. Vader praatte en wees. Moeder knikte, keek en glimlachte. Vertelde vader nu dat hij gehuild had?

Opnieuw voelde hij woede in zich opkomen.

Hij stond in het donker, doodstil was het op straat, geen mens kwam voorbij. Alle boeren waren aan het melken en hier en daar werd al gegeten. Hij voelde zich alleen, zo verschrikkelijk alleen, dat hij weg wilde en toch niet los kon komen van die aanblik van gemeenschappelijkheid. Hij had het gevoel alsof hij zijn ouders betrapte, terwijl ze elkaar kusten en verdomd - moeder was gaan zitten en vader stond achter haar en legde, wat hij deed als hij haar liefkoosde, zijn handen op haar schouders. Zij keek naar hem op en glimlachte. Hij stond buiten, alleen.

Toen stapte hij op zijn fiets en reed weg. Terwijl hij al reed, besloot hij opeens waar hij heen zou gaan en toen fietste hij zo hard weg alsof iemand de achtervolging had ingezet.

In een flits omkijkend, zag hij nog net de zijkant van het huis, de keuken, waar Marchien aan tafel zat.

Terug: Index feuilleton