Terug: Index feuilleton

Het jaar van de ooievaar - Gerard Nijenhuis

Aflevering 13

Die dag gaf meester de opdracht: Teken je eigen huis! Zoiets kon alleen meester Woltman verzinnen. Een paar kinderen begonnen te mopperen en zeiden: Dan moet ik eerst even gaan kijken, hoe het er uitziet, want dat weet ik zo niet.

Gerhard hield even het potlood aan de lippen - net zoals ds. Wiegers met zijn wijsvinger deed voor hij een nieuwe zin begon.

Meester Woltman zei: Jij weet het wel, hè Ger?

Als je hem prees, was hij net een paard, dat de sporen kreeg. Dan ging hij in galop van start, keek nu en dan even op naar de meester en glimlachte met zijn ogen, waarbij hij zijn gezicht stil hield en je het gevoel had, dat zijn hele wezen je tegenlachte.

Gerhard wist het wel! Hij tekende het zoals het in hem geborgen zat. Het huis, dat iets terug lag van de weg en dat vanuit een grote tuin met gras en perken met rododendrons, leek uit te zien over de straat. Het was alsof het de wacht hield, alsof het iets was teruggekropen van de straat om een beter overzicht te krijgen van het dorp.

Het huis was door zijn overgrootvader gebouwd. Het was laag en lang, maar het week toch al enigszins af van de oude bouwtraditie. Het had bijvoorbeeld een pannendak in plaats van riet, en een brede houten gootlijst, waardoor het net leek of het huis een hoed op had. En wat ook bijzonder was voor het dorp: Het had een klein balkonnetje precies boven de voordeur.

Ds. Wiegers zei tegen Gerhard toen ze in de tuin stonden: Zal ik daar m'n preek eens gaan houden, Gerhard en jullie allemaal beneden in het gras?

Als je naar het huis keek met z'n ramen, waarin je de bomen van de brink weerspiegeld zag, de voordeur met z'n rooster van gietijzer, waarop twee paardehoofden zaten, die als handvat dienst deden, moest je onwillekeurig glimlachen. Het was zo vriendelijk en zo ontvankelijk, zo open voor de mensen, die door de voortuin naderden, dat het net leek of het huis tegen je lachte, zodat je wel moest teruglachen.

Gerhard tekende het met de punt van de tong tussen zijn lippen. De meeste moeite had hij met de serre, die zijn grootvader er had aangebouwd in een tijd toen boeren, die wat deftig wilden doen, vonden dat je daar op zondagmiddag moest zitten met je gezin, duidelijk zichtbaar van de straat als in een grote vierkante etalage. Hij raakte door die gekke serre in de knoop met het perspectief. De ramen verdwaalden in de zijgevel, zodat hij dacht: Als ik het voor 't zeggen had, zou ik het ding afbreken. Het is te lastig om het te tekenen!

Toen hij thuiskwam, hield hij het tekenpapier in de hand. Hij had alles gekleurd en het huis zag er op de tekening net zo vriendelijk uit als het in werkelijkheid was, afgezien dan van die serre, die sporen vertoonde van het gum- en herstelwerk, dat de kleine tekenaar eraan had uitgevoerd. Het leek nu wel of de serre ouder was dan de rest van het huis in plaats van omgekeerd!

Terwijl hij naar huis liep - gelukkig met de tekening, waar hij zo hard op had gewerkt - was het net of hij nog meer hield van het huis dan voor die tijd.

Ik heb het huis! zei hij triomfantelijk, toen hij de keuken binnenkwam. Most ies kieken, Marchien!

Marchien rolde de tekening uit op het zeil van de keukentafel, zette de theekopjes voorzichtig op de hoeken, zodat het papier niet terug kon rollen en zei, toen ze er lang naar had staan kijken: Dat hest stoe hiel good daon, mien jonkie. Ze aaide hem over zijn haar en hij zat bij haar in de herfstmiddag en dronk thee.

Moeder, die 's middags rustte, hoorde hij bezig in de slaapkamer. Ze zou zo opstaan. Opeens hoorde hij ook geluid uit de opkamer.

Is vader thuis? vroeg Gerhard verbaasd. Sinds hij geénstalleerd was als burgemeester, was hij nog minder thuis dan tevoren.

Die installatie was trouwens een bezoeking voor hem geweest. Wat een toestand! Hij met vader en moeder op het piepkleine bordes van het gemeentehuis, alle kinderen van de school - ook zijn klasgenootjes - ervoor om de nieuwe burgemeester een zanghulde te brengen! Vader keek altijd zo grimmig bij dergelijke gelegenheden en moeder werd zo wit, dat hij bang was, dat ze weer ziek zou worden.

De volgende dag had hij een pak ransel gekregen van een paar jongens uit een hogere klas, die het niet uit konden staan, dat hij nu het zoontje van de burgemeester was. Hij had gedacht: Daar heb je dan de veranderingen, waar vader op zinspeelde. Poeh, wat moois was dat! Het was een geluk voor hem dat Marchien er was en dat het najaarskermis werd en dat hij mee mocht naar het huisje, dat aangekropen lag tegen de Hondsrug als een jong dier tegen een moederlijf. Hij kreeg een dubbeltje van haar en één van Marchien's moeder, die altijd goed zo zei en naar wie hij stil zat te kijken hoe ze vanuit haar rieten kraakstoel met de schotteldoek de zwilk - het tafelkleed - aanveegde om thee te schenken in de dunne doorschijnende kopjes die daar stonden. Het was daar een reservaat, waar hij veilig was ...

Als hij zo bij Marchien in hun eigen grote keuken zat met de lage zoldering, de reusachtige balken, zo losgesneden uit de machtige eikebomen van dit land, dan was hij ook daar veilig. Daarom hield hij zo van haar. Ze glimlachte altijd als ze hem zag. Ze was zo dichtbij en ze rook zo lekker. Met haar was het dorp veiliger, waren er geen jongens, die hem plaagden, geen mensen, die vroegen: Van wie ben jij er één? Nee, bij haar hoorde hij helemaal bij het dorp, bij de mensen, bij haar volk. Als hij er kwam - bij de moeder in het kleine huisje - de vader werkte bij de boer, net als de broers - keek hij naar de bedsteedeuren. In die bedstee sliepen ze allemaal, behalve Marchien, die bij hen woonde.

Er stonden rechte stoelen in een rij voor. Er was een koekoeksklok en er hingen met kralen geborduurde schilderijtjes aan de wand met de tekst Ter herinnering aan uw 25-jarige echtvereniging. Een foto van koningin Emma en een kooi met een tortelduif. Die kooi had de vorm van een boerderij, compleet met twee ramen aan weerszijden van een dichte deur.

Achter het huis stond een pomp en naast het huis een diepe put. Daar kwam al het water uit. Je moest je bukken als je door de achterdeur het huis inging om via het portaaltje in het enige vertrek te komen.

O, wat was hij daar veilig en geborgen. Ook al had hij zich een keer vreselijk gebrand aan de kachelpijp, die met een zwaai door de lucht naar de schoorsteenmantel liep - hij was er zelfs veiliger dan bij zijn vriend Jakob.

Ja, waarom eigenlijk?

Hoe kon je dat nou uitleggen? Was het een kwestie van huizen? Nee, toch niet, want het huis van tante Olga was net zo oud als dat van Marchien's volk, maar toch was je daar niet zo veilig als bij Marchien. En het huis van de Jalvings was bijna spiksplinternieuw. Dus dat was weer heel wat anders. Hij kwam er gewoon niet uit. Het zat misschien niet in dat grappige huisje - die poppenwereld van zeven mensen in één kamer, maar het zat in de mensen! In Marchien en in haar moeder !

Marchien's moeder heette Fennechie en ze was altijd in het zwart gekleed of tenminste in het donkergrijs. Met een lint in het haar. Ze maakte het leven veilig, omdat ze hem aannam zoals hij was. Voor haar was hij niet Gerhard van de burgemeester, 't ging bij haar niet om zijn afkomst - o wat voelde hij dat goed. Hij was er welkom, omdat hij het was. Gewoon Gerhard. Gerhard van oes Marchien. Hij hoorde bij hen en altijd, zo voelde hij, zou ze goed zo tegen hem blijven zeggen, van welke vreemde zwerftochten hij ook bij haar thuis zou komen.

Ook toen ze later ouder en zwakker werd en in de bedstee, waar ze sliep, en waarvan soms de deur openstond, zodat je de bonte kussens kon zien liggen, een lichter nodig had, omdat ze zich niet meer zelf op kon richten, altijd zou hij er welkom zijn. O, wasttoe daor, da's ja good, zou ze zeggen, zoals ze tegen alles in het leven gedaan had, ook toen er armoede was. Ze had het leven bij voorbaat gezegend en daardoor was het goed geworden.

Op zondagen ging hij er met Marchien naar toe en zat bij hen om de tafel en was in een andere wereld dan die van het grote huis en alle drukte en de gesprekken aan tafel. En vader, die ijsbeerde of over het erf liep met Lukas, terwijl je aan zijn gezicht zag, dat hij aan andere dingen dacht.

Hij was hier ver van dat ingewikkelde. Hier hadden de dingen hun eigen kleur, hun eigen smaak. Een kop thee was er iets anders - hoe slap het ook geschonken werd - als thuis en o, de oliebollen, die je er at als het kermis werd !

In 't voorjaar - er was twee keer per jaar markt met kermis - zaten ze achter het huis en aten ze op, terwijl de geluiden van het orgel overwoeien uit het dorp. Ze aten ze voordat ze naar de kermis gingen, zodat je het hele feest nog voor je had.

Op die dagen wist hij wat geluk was. Er lag een glans over de dingen. En moeder werd weer beter en vader zou ...

Maar 's avonds was hij weer alleen in zijn kamertje en Marchien was toch anders als ze bij hen thuis was en ze schrok ook op als de bel ging, omdat vader haar vanuit de kamer liet roepen met een echte tafelbel om de thee of koffie af te ruimen. Ze keek dan zo gedienstig en trok haar schort recht.

Dat deed ze nu ook - nu hij bij haar in hun eigen keuken zat, de tekening op tafel, de herfstwind om het huis - terwijl uit de opkamer de stemmen van vader, donker als gebrom - en van een bezoeker - zangerig en hoger dan die van vader - nu en dan tot hen doordrongen.

Wel is d'r, Marchien?

'k Weet niet, zei ze. Een met 'n rol papier net asstoe.

Toen Marchien opstond om thee te brengen, liep hij achter haar aan. Hij had de kopjes weggeschoven van de hoeken van de tekening, zodat het papier - floep - weer opkrulde en opnieuw een rol werd en hij nam die rol mee en stond achter haar in de opkamer.

Terug: Index feuilleton