Terug: Index feuilleton

Het jaar van de ooievaar - Gerard Nijenhuis

Aflevering 12

Wie was Olga. Hoe kon je ooit die vraag beantwoorden, dat tegenstrijdige wezen beschrijven?

Hij zei later - en hij beschreef het in zijn boek: Zij heeft een Drents karakter, maar de naam, die haar vader haar gaf, was in strijd met de omstandigheden, waaronder zij opgroeide. Het dorp waar zij geboren werd, was arm. Haar vader was een kleine boer uit een familie met een groter verleden dan het heden dragen kon. Hij was bovendien een dromer. Hij las! En dat was in die jaren bijna even erg als de uitroep: hij drinkt!

Hij dronk de woorden in die schrijvers hadden geschreven en waarmee ze een werkelijkheid opriepen, heel anders dan die van armoede en hard werken en zuinig zijn waarin hij leefde.

Als hij naar het land reed, droomde hij, zittend achter het paard, over de mensen over wie hij 's avonds tevoren had gelezen. Hij zag in de mensen om hem heen de figuren uit de boeken die hij las. De geschreven wereld was voor hem echter dan de wereld van grond en vee, van mensen, kromgebogen over de aarde, vroeg oud en met gegroefde gezichten.

Olga kon nog altijd verdrietig worden als ze aan hem dacht. Zijn droom was zo ver en hoog en de wereld was zo klein waarin hij leefde en zo dor.

En moeder begreep hem niet. Er was altijd een stille strijd gaande tussen hen. Ik hield niet van haar, omdat ze zo hard was. Zij was zakelijk. Maar ze moest ook wel, de stumper, want vader was ongeschikt voor dit leven. Het was hopeloos en hij was hulpeloos.

En met mij en Onno is het hetzelfde, zei ze later. Al is er geen armoede maar overvloed. Ik kan hem ook niet duidelijk maken wat het is, net zomin als vader het moeder kon. Wij zijn mensen van boeken. Ik lees halve nachten door.

Heb ik van Geert gehoord, zei Ben. Maar het mag niet, hè?

Ze lachten. Olga lachte zonder op te kunnen houden en Ben schrok en zei: Vertel verder van je vader.

Voor vader waren alleen de mensen uit de boeken echt. De anderen drong hij weg. Ze bestonden niet. Moeder ook niet. Moeder, die het altijd had over de gewassen, over vooruitkomen en zuinig zijn. En de buren bestonden ook nauwelijks voor hem, de buren die hem de wonderboer noemden en niet luisterden als hij wat zei, maar alleen glimlachten en een sterk verhaal maakten van wat hij had gezegd of gedaan.

En jullie dan? vroeg Ben.

Alleen wij bestonden voor hem, ik en m'n zusje. Hij had ons de namen gegeven uit de boeken, die hij las en daarmee was er iets over ons gekomen van die andere wereld, waarin hij leefde.

Maar vond je moeder dat dan goed? vroeg Ben, dat jullie zulke vreemde namen kregen?

Nee, Olga lachte. Dat vond ze niet. En dat wist hij ook heel goed. Toen er een kind verwacht werd, stond het voor haar vast, dat de grootouders vernoemd zouden worden, dat gebeurt hier immers altijd. Ik had Jeichien moeten heten, dat had moeder ook gezegd. Maar vader gaf geen antwoord, keek alleen maar. Hij ging de geboorte aangeven, kwam weer thuis en zei tegen moeder: 'Kijk maar even,' en toen stond er Olga in het trouwboekje. Hij had gewoon de naam opgegeven die hij wilde. Moeder was zo sprakeloos dat ze vergat om boos te zijn. Ik begreep later, dat het het verzet was van een machteloze. Moeder lag immers in het kraambed en nu waren de rollen omgekeerd: Zij was machteloos en vader had het heft in handen. Mij noemde hij Olga en toen mijn zusje geboren werd, gebeurde hetzelfde, het werd geen Annechien zoals gemoeten had, maar Irina, naar twee zusjes uit een Russisch stuk. Gek hè?

Daarom waren wij ook de enigen, die voor hem bestonden. Hij behandelde ons nooit als kinderen. Toen we nog maar heel klein waren, bepraatte hij alles met ons - alles! Zodat mijn moeder zei: 'Doe toch niet zo idioot, 't zijn nog kinder.' Later hoefde ze dat niet meer te zeggen, want hij praatte niet meer met ons als zij erbij was. O ja, wel: 'Wou je nog thee, Olga?' of 'Hoe was 't op school, Irina?' Maar dat was voor hem alleen het wisselen van wat woorden.

Als hij met ons alleen was, als we met hem meereden naar het land, als we in de herfst aardappelkrab-vakantie kregen en samen bezig waren op de akker, vertelde hij ons alles. Hij vertelde waaraan hij dacht, wat hij las, hoe hij onze toekomst droomde. Hij vertelde ons over de Russische revolutie, die hij gevolgd had, over de boeken, die hij gelezen had, alles.

We speelden dat de weg naar het land door de steppe ging en we doken weg in onze jurkjes, de zakken, waar we later de aardappelen in deden, om ons heen. We waren kozakkenvrouwen en hij was een bojaar.

Toen is hij plotseling gestorven. En moeder was blij, dat het zo was, ja werkelijk hoor. Ik heb het haar nooit vergeven, al begreep ik, dat het leven met hem een last was, omdat ze zo anders was als hij.

Vader was maar heel kort ziek. Zijn fantasie was opgebrand. En toen hij niet meer dromen kon, omdat alles hem tot de werkelijkheid terugriep, wilde hij niet meer leven. Olga verviel in zwijgen en Ben zei ook niets meer. Hun wereld was anders geworden sinds zij zo met elkaar hadden zitten praten. Dit dorp was nog veel herbergzamer geworden sinds hij haar had ontdekt.

Zal Onno goedvinden, dat je zo met mij praat? Ik heb geen schaamte meer, zei ze.

Ik mag hem best, maar ik wil m'n eigen leven leiden. Toen moeder Wubbing me duidelijk maakte, dat lezen niet mocht, dat het niet paste bij hun wereld, toen heb ik me wel teruggetrokken, omdat dat niet anders kon, maar ik ben gewoon doorgegaan. 's Avonds laat en 's nachts. Ik lees altijd. En ik wil ook de mensen zien, die ik wil zien. Onno vindt het goed. Hij mag je geloof ik wel, omdat hij ziet, dat jij ook doet, wat je zelf wilt. Hij weet ook wel dat ik verdriet heb, alleen ik kan aan hem niet vertellen wat het is. Het is net of ik het niet kwijt kan raken wat er met vader gebeurde. Het was zo erg, omdat we nog zo klein waren. We hielden van hem, we voelden aan hoe hij was, maar we konden hem zo weinig helpen.

Ben keek naar haar en wilde troosten. Hij zocht woorden om de tranen, die over haar wangen begonnen te lopen, te stelpen.

Hoe ouder ik word, zei Olga, des te sterker wordt het, dat ik besef wat hij heeft doorgemaakt. Al die vernederingen, omdat hij mislukte in wat hij deed en het steeds moeilijker werd om de droomwereld in stand te houden. Boeken lezen is mooi en dromen van de mensen, die je erin beschreven vindt. Maar als je honger hebt, wordt het wat anders. En ik denk ook, dat hij zich schuldig voelde, omdat hij zag, dat moeder het ook niet meer volhield en het verwijt groeide, omdat zij steeds naar haar ouders moest om geld. Wij konden op geen club of wat ook, want het geld was er niet, dat eeuwige geld. Hou dan maar eens vol, dat het er allemaal niet toe doet, ga dan maar eens door met lezen.

Ja, zei Ben. Ja ....

En wat konden wij doen? Niets toch? Hij werd zo stil en bedroefd. Eerst ging het ene paard weg en toen het tweede. We hadden alleen nog een paar koeien en een geit en hij probeerde werk te vinden bij de gemeente of bij een boer. Maar ze wilden hem niet hebben. Ze wisten wat hij waard was. En toen, toen we die dag uit school kwamen ... We hadden achter het huis een schuurtje, waar we eigenlijk nooit kwamen. Het was vroeger de schaapskooi geweest. Er stond nog een oude koets in. Heel enkel speelden we er, maar we waren er in geen weken geweest. Dat wist hij ook ... ja vast.

Ben keek naar haar en vroeg zich af: Droom ik, is dit werkelijk, zit ik hier, ben ik dit, is zij dat?

De deur stond op een kier en daarom werden we erheen gezogen. Andere kinderen speelden haast niet met ons, het was alsof de ouders hen terughielden en zo kwamen we altijd samen uit school en Irina zei: 'Zullen we in de koets gaan spelen, 0l?' Ik wou nog zeggen: We moeten het eerst even tegen moeder zeggen, maar we hielden er niet zo van om bij haar te zitten en alle vragen te krijgen over de school en of we de sommen wel goed hadden. Toen trokken we elkaar mee naar de schuur. En toen we binnen kwamen. . .

Ze greep haar stoelleuning beet en fluisterde: Daar hing hij, vader. Hij had z'n pet nog op en z'n klompen stonden eronder, keurig naast elkaar. Hij was van de koets afgesprongen, onze koets, waar we zo over konden dromen, ook met hem. Ik zie het nog altijd voor me. Ze huilde. Hij is helemaal niet ziek geweest, Ben, zoals ik eerst zei. Ik wou het verzwijgen voor je, maar waarom zou ik ook. Ze glimlachte zo intens bedroefd, dat hij niets zeggen kon ...

En moeder was razend! Ze was zo bitter, dat ze hem altijd afviel. Toen hij nog leefde, deed ze het, waar hijzelf bij was. 'Ach jij,' zei ze dan, 'jij met je gedroom.' En toen hij dood was, was er geen houden meer aan. Zijn naam werd niet genoemd of er werd gescholden. Begrijp je, Ben?

Wat was ze nu mooi in haar verdriet, terwijl ze glimlachte door haar tranen, omdat het openbrak in haar en ze het aan hem vertellen kon.

We konden er nergens mee heen, met ons verdriet. Moeder wilde over vader niets meer horen. En iedereen zweeg! Zelfs de kinderen op school. Ze keken alleen. En overal voelde je medelijden.

Er is niets ergers dan medelijden, zei Ben. Het venedert je zo.

Jij begrijpt het tenminste. Onno is zo fier, weet je. Hij weet niet wat het is om je te schamen. En wij schaamden ons, ook al wilden we niet. We werden zo verscheurd door twijfels. We dachten soms, toen zijn beeld vervaagde en we ouder werden: Is het waar, dat hij laf was, dat hij een hopeloze dromer was en slecht voor ons zorgde? Maar ik wilde niet dat het waar was, want ik hield van hem. De dokter in Assen zei, toen ik opgenomen werd, dat ik het niet had verwerkt, dat het allemaal terugkwam nu ikzelf volwassen was en beter begreep, wat vader had doorgemaakt.

Ben knikte. Hij hoefde niets te zeggen. Olga keek met verbazing naar hem en zei: Dat is nou zo vreemd, dat ik het jou vertellen kan. En eerst was ik zo kwaad op je, ik dacht: Laat ie opvliegen die kwast.

Ze glimlachten allebei en dachten aan zijn eerste bezoek. Hij zei: Hier is het stuk dat ik schreef en de foto's van het Holt. Hij legde ze op tafel en ze keken er geen van beiden meer naar. Olga was verzonken in haar gedachten, maar heel rustig, heel vrij. En hij wilde zo weinig mogelijk inbreuk maken op haar woorden en de sfeer niet verstoren.

Misschien zou het anders zijn, als ik kinderen had, zei ze. Toen ik trouwde was ik er zo zeker van dat ik ze krijgen zou. Gek is dat, dat je daar geen moment aan denkt, dat het ook anders zou kunnen gaan. En dan moet je zo tussen de ooievaars in wonen en eik jaar de mensen zien denken: Hoelang zijn ze nou getrouwd en is er nog niks ... ? Tot ze je openlijk in het gezicht zeggen: 'Je woont daar anders zo goed en toch wil het niet?'

Werkelijk? vroeg Ben.

En er zijn er die eraan toevoegen: 'Um 't geld heuift aans toch niet over te gaon, wal?' Ze keek spottend en gekwetst tegelijk, haar lippen, die ze eerst zo stijf samenkneep, krulden en haar lach brak aarzelend door: Eerst was het 't geld dat er niet was en nou is 't geld dat er wel is ... Zo is d'r ook altijd wat !

 

Ze spraken die dag af, dat ze elkaar geregeld zouden zien, of liever gezegd, ze spraken niets af, maar Olga, vanuit het verdriet, dat ze voelde en de vrijheid, die ze zich aan het veroveren was, vroeg naar zijn boeken.

Of hij ook die boeken had, waar haar vader over vertelde en of zij ze van hem lenen mocht.

Hij zei ja, maar stelde als voorwaarde dat zij ze zelf bij hem halen zou. Onno kwam binnen en zat bij hen. Ben gaf het kranteknipsel en Onno las het, met zijn voeten op de gespikkelde jachthond, een kortharige Duitse staander, dezelfde, die Ben bij Oldenhuis had gezien. Onno's mond behield - terwijl hij las - steeds de glimlach, die zijn tanden zichtbaar maakten en van zijn gezicht een masker met grimas.

Olga zei, terwijl ze haar handen als een vogelnest achter het hoofd vouwde en ze haar hoofd terugdrukte, zodat ze van ver naar hem keek, dat ze nu en dan naar Verschuur zou gaan om boeken te halen en dat ze er met hem over praten wilde, omdat ze er zo weinig van wist.

Les dus, zei Onno. Hij begreep, dat zij elkaar gevonden hadden en hij dacht: Ze heeft ook te weinig hier. Hij herinnerde zich wat de dokter in Assen had gezegd voor ze weer thuis kwam: Dat ze te veel nadacht over ervaringen uit haar jeugd, dat ze wellicht schuldgevoel had, omdat ze haar vader niet had kunnen helpen en zijn dood niet had kunnen voorkomen. Hij had ook gezegd: U moet zorgen, dat ze nieuwe indrukken opdoet. Ga nu en dan met haar op reis, zorg, dat ze mensen spreekt, maak haar leven wat interessanter.

Onhandig had hij tegenover de dokter gestaan, die hem op de gang te woord stond en hij had ja gezegd en dat het hem goed leek. Hij had medelijden met haar en ze hoorden bij elkaar. Het was niet gemakkelijk voor Olga. Hij was zoveel weg, hij leefde zo voor het bedrijf, de jacht, de vergaderingen en het beheer van het vermogen, dat hij aan haar haast niet toekwam. Hij besefte nu hij Ben en Olga zag, dat van al die plannen niets terechtgekomen was. Ze waren niet uitgegaan, laat staan dat ze een reis hadden gemaakt.

Het enige wat hij deed, was nu en dan een stapeltje boeken meenemen uit de stad. Die legde hij dan in het nachtkastje op de slaapkamer. Daar keek moe nooit in.

Hij keek naar Olga en van Olga naar Ben en voelde pijn. Het leek wel of zij bij elkaar hoorden, zoals Olga en hij nooit hadden gedaan. Soms dacht hij: Had ik ook maar met die dokter gepraat, toen hij vroeg of er in ons huwelijk iets niet in orde was. Maar het kwam hem niet over de lippen. Hij had zich aangewend om te glimlachen als de mensen vroegen hoe het met hem ging. Als die vraag allang verklonken was, bleef de glimlach nog, die hij droeg als een schild, waarachter hij zich verschool.

Was er ooit iemand die wist wat er in hem omging? Zou hij dat ooit aan Olga kunnen uitleggen of aan Ben of misschien aan Salomo?

Hij was blij dat Olga nu iemand had met wie ze praten kon, maar het deed hem ook verdriet. Als het maar helpt, dacht hij bij zichzelf. Als ze maar niet weer in dat zwijgen vervalt, dat zo intens werd dat ze weg moest naar Assen, was het hem de pijn wel waard.

Als je mij dan maar vertelt wat er in de boeken staat, zei hij zachtjes. Dan vind ik het wel goed.

Terug: Index feuilleton