Terug: Index feuilleton

Het jaar van de ooievaar - Gerard Nijenhuis

Aflevering 11

Ben dacht aan de achterzaal van Harm en Lammechien, aan Jop Snieder en hij vroeg aan Geert: Is jouw vader geen lid van de S.D.A.P.?

Geert schudde beslist van nee. Die zijn voor de vakbonden, meneer en voor de fabrieken en zo, niet voor ons. Nee, d'r is niemand die wat voor ons doet. Praten, dat doen ze! 't Wordt tijd dat er een echte boeren-partij komt, zegt mijn vader. Vader gaat ook wel naar politieke vergaderingen om ze dwars te zitten, maar hij is nergens lid van. Zit ze alleen dwars. Zegt: 'Waarom doen jullie niks voor ons?

Ze zwegen. De jongen had hem zoveel verteld. Ben had een heel andere kant van het leven op het dorp te zien gekregen.

En Olga dan? vroeg hij en dacht aan dat mooie stille gezicht met de felle ogen, die keken zonder te zien, die koud en hard waren, vijandig zelfs. Telkens nog had hij gedacht aan de wijze, waarop zij de kamer verlaten had, ruggelings, hem onafgebroken aankijkend.

Ze is al eens weg geweest, zei Geert. Opgenomen. Zij is de kwaaiste niet, maar ze heeft niks te zeggen. Ze kan er niet tegen op. En zelf was ze niks.

Hoe niks?

Nou, geld hadden ze niet.

Ben begreep, dat het hier zo gezegd werd en gevoeld. Je was wat als je iets had en als je niet zoveel was, betekende het, dat je geen rekening had bij de bank en wat veel belangrijker was: geen eigen stukje grond.

Wat geworteld waren de mensen hier toch! Ze zaten bovenop hun stukjes grond. Ze vochten ermee. Ze veroverden het op de elementen. Ze woelden het om. Pas toen de kunstmest werd uitgevonden en de schapen niet langer nodig waren voor de mest, waren ze in staat om de heide, de woeste grond, het onland, zoals ze dat noemden, aan te maken. Dat onland werd aangemaakt tot kleine akkertjes. De essen, ook die pas later waren ontgonnen, waren net lappendekens.

Behalve enkele grote percelen van de oude eigenaren, waren er de duizend en één akkers en akkertjes, die waren afgetroggeld, losgescheurd uit de hand van moeder natuur.

En ze hadden allemaal even mooie namen: Altona, Bakkersland, Galgenakker, de Weijert en het Koebroek, het Osseveen, 't Röt, het Reigersholt en de Schaapakker. Het waren namen met een geschiedenis. Ze vertelden iets over het land en de mensen, die het hadden ontgonnen of de vogels, die er hadden gewoond.

 

Olga is een beetje vreemd, zei Geert, u moest eens met haar praten. U zou haar veel kunnen leren. Ze houdt van lezen. Ze leest in het geheim boeken.

Gekke boeken?

Hij lachte: Geen rare boeken, maar ze mag niet lezen. Oude vrouw Wubbing heeft een boek verbrand toen ze haar zag lezen.

Kom nou, zei Ben, nou vertel je toch fabeltjes, jij pyromaan met al je branden.

Nee werkelijk, meneer Verschuur, zei Geert en Ben wist dat hij de waarheid sprak. Ze mag niet lezen. Dat vinden ze onzin. De krant, meer niet. Trouwens, ik lees ook nooit. Ik heb er geen geduld voor en ik val in slaap als ik de hele dag buiten ben geweest.

Maar Olga dan?

Olga leest in het geheim. 's Avonds, Onno vindt het natuurlijk wel goed. Ze gaat vroeg naar bed, omdat ze hoofdpijn heeft - dat zegt ze tenminste tegen haar schoonmoeder en dan leest ze, soms tot één of twee uur toe. Nee werkelijk, u zou haar kunnen helpen.

Ik ben eigenlijk een beetje bang voor haar, zei Ben, meer tegen zichzelf dan tegen hem.

De jongen lachte: Ik mag haar heel graag, zei hij gretig. We praten soms in de tuin. Toen vader nog geen ruzie met de Wubbings had, werkte ik wel voor ze. Als ze buiten is, loop ik erheen en dan praten we soms. Tot de oude vrouw Wubbing het ziet. Dan gaat het raam open en roept ze: 'Olga, telefoon !' Altijd hetzelfde, ook als er nooit geen telefoon kan zijn !

Wat een idioten, zei Ben. En gaat ze dan?

Ja, dan lacht ze tegen me, wat vreemd wel, maar ze gaat. U zou een goed werk kunnen doen. Vader heeft wel eens gezegd: de dokter zou wat moeten doen, maar die spelen toch allemaal onder één hoedje, dat is één kliek. Maar u staat daarbuiten.

Maar hoe kom ik ooit in contact, zei Ben en hij wist niet of hij er happig op moest zijn.

Ze zaten als twee samenzweerders bijeen. De verwaarloosde tuin, waar het allemaal door begonnen was, lag stil om het huis. De wind bladerde in de linden, verder was er geen gerucht.

Ik kan wel een briefje voor u meenemen, zei Geert en werd meteen vuurrood. Nee, hakkelde hij. Dat bedoel ik niet...

Toen hij op de stoep stond - en Ben wist al dat het hier zo was dat je dan mee naar buiten liep - stonden ze stil bijeen in de adem van de avond. Het was laat. Zelfs bij Ottens brandde geen licht meer.

De jongen zei: Ik moet naar huis, ze zullen niet begrijpen waar ik blijf... Hij pakte zijn fiets en bleef ermee in de de hand voor het huis staan. Het licht viel vanuit de deur over het pad.

Ben keek om en voelde het huis achter zich als een waakdier, een veiligheid, die hij voordien niet had. Hij keek naar binnen en zag de vloer, die hij geel geverfd had, de rieten stoelen met de lamp erboven, de wand met boeken en het portret van moeder - waar hij, net als in een museum een eigenwijs lampje boven had gemonteerd. Hij wist opeens dat hij gelukkig was en dat hij hield van deze mensen en dat hun levens zo verknoopt zaten en dat hij wilde proberen die draden te ontwarren. Hij wilde niets liever dan de hele nacht doorpraten met Geert over Olga en alles horen wat die van haar wist.

De jongen zei, toen hij opstapte, maar nog niet reed, omdat hij niet kon weg komen uit dit huis en deze atmosfeer, omdat het zo anders was dan wat hij daarginds zou vinden in het slapende veen: Ik zal uw tuin wel voor niks doen.

En Ben, stil geworden en met een zachte stem, zei: Doe je de groeten aan Olga?

Die nacht vloeide het beeld van Olga in zijn droom samen met dat van Geert. Hij zag de magere knaap met zijn geboende wangen en die ogen, die je bezworen, dat het de waarheid was en daarnaast als een tweeling-zuster, Olga, de tegenvoetster van Geert: zo gesloten als hij open was.

 

De volgende morgen stond hij vroeger op dan anders, terwijl hij soms de dag versliep en de uren, die zo kostbaar waren voor zijn werk, voorbij liet gaan. Hij zocht aan zijn schrijftafel in de brieven van Frederikse en vond een envelop met zijn eerste artikel over het dorp. Daar was ook het stukje bij over de regelmaat, de stilte, de overgang van het land naar de huizen. Naast dat stukje stond de foto van het Holt met de ooievaarsnesten.

Daarmee ging hij die zelfde ochtend op stap.

Het was onzinnig en doorzichtig en Frederikse zou het een bevlieging noemen, typisch Ben, maar hij kon niet anders. Hij werd erheen gezogen. Hij wilde Olga zien en het Holt. Het huis van de Jalvings en de vader van die jongen, die al die verhalen deed en de dorpsgemeenschap in tweeën knipte, de ene helft, die boven was en de andere, die onder lag, die moeizaam vocht, maar al verder weg zonk in het moeras. Waar hoorde Ruben Cohen bij, die hij toezwaaide, toen hij voorbij diens huis fietste - hij had zijn oude karkas laten komen met de trein en reed de hele omgeving af als hij 's morgens had gewerkt aan zijn boek. Waar hoorde Ruben bij en ds. Wiegers en al die tussenfiguren, die hoog waren noch laag, arm noch rijk?

Olga was die ochtend alleen thuis.

De meiden waren er natuurlijk; die werkten ergens in het huis of verschenen opeens met emmers en zemenlappen als glazenwassers voor de ramen en begonnen lachend en wel door de conversatie heen je uitzicht te wassen.

Onno was er niet en de oude Wubbings waren uitgereden om ergens een visite te brengen.

Olga stond bij de deur. Toen ze hem zag aankomen, liep ze voor hem uit het huis in, de deur open, zodat hij al pratend achter haar aan kon gaan en het gevoel had, dat hij een draad vast moest houden, die anders breken kon. Hij zei - net zo zenuwachtig als zij - alle dingen, die hem voor de geest kwamen. Dat hij de foto had en het artikel en of ze nog kwaad op hem was, omdat hij ... en hoe het nu met hen ging en of zij al een ander huis op het oog hadden, nou ja, de ouders dan, en dat er toch wel meer huizen waren dan dat ene van hem en dat zij het toch af wilden breken en dat ze het eens zou zijn met hem, als ze zag, hoe mooi het nu leek.

Ze stonden in de keuken-kamer, Olga meters van hem af en almaar zwijgend en die mond samengeknepen en weer die rechte koele blik.

Is Geert bij je geweest? Was die bij je? Haar ogen schoten vuur. Had die over haar gekletst en over haar familie, die snotaap en wat dachten de Jalvings wel?

Ben ging zitten en zei zachtjes - maar zij hoorde het niet: Nu praat je tenminste!

Zij werd - nadat ze zo uitgevaren was tegen hem en tegen de Wubbings en tegen alle mensen zo leek het wel - opeens weerlozer. Ze was zo alleen, zo afstandelijk, alsof ze van een eiland te roepen stond naar het vasteland, waar hij was. Ze werd zachter. Het was alsof er een demper gezet was op haar stem en alsof haar ogen verkleurden en haar woorden braken open. Ze waren niet groot meer en sterk, maar klein en hulpeloos, die ze door de lippen samen te knijpen verzwijgen wou. En er werd pijn zichtbaar.

Olga, zei Ben, is het zo erg hier? En ik zei nog wel: Vind je 't niet fijn in het Holt? Ik zag alleen hoe mooi het hier is en hoe stil. Ik kwam toen net uit de stad en ik had het idee dat ik als een reiziger hier kwam die een verloren gebied ontdekt, een vergeten dorp.

Ze begonnen nu te praten. Soms tegelijk en door elkaar heen en dan zweeg één van beiden als de ander al een halve zin ver was. Ze luisterden slecht, omdat ze zoveel te vertellen hadden. Ben vertelde, omdat hij wist, dat hij haar los moest praten. Hij vertelde over zijn jeugd, de verhuizingen, de dood van zijn vader, toen hij tien was. Hoe hij zocht naar een vader en naar andere kinderen, omdat hij altijd alleen was geweest. Hoe hij opschreef wat hij niet vond: Over huizen, die hij kwijtgeraakt was, omdat ze zo vaak verhuisd waren, zodat hij zich soms alleen een gang herinnerde, of een zolder, of een boom in de tuin. Hoe hij nu overal, waar hij kwam, alles vast wilde leggen, bewaren, beschrijven. Hoe hij zich daarom verzette tegen elke afbraak, omdat het een stuk van zijn eigen verleden kon zijn dat dan voorgoed werd zoekgemaakt.

Hij legde haar uit hoe hij mensen beschreef, in elk kort verhaal en zelfs in de recensies, al werkte hij dan met geleend materiaal. Daarom kwam hij ook hier om dit vast te leggen, omdaat hij voelde, dat het verdween. Daarom had hij ook het huis gekocht, die koop was niet tegen hen gericht, zoals zij misschien dachten.

Terug: Index feuilleton