Terug: Index feuilleton

Het jaar van de ooievaar - Gerard Nijenhuis

Aflevering 10

Ben schreef: Ik raak hier meer en meer thuis. Als ik mijn raam uitkijk, zie ik een stille brink en ik betrap me erop, dat ik net als de bewoners van het dorp al op ga letten wie er voorbijgaat. Kijk, denk ik dan: Daar gaat Jop Snieder met in zijn hand een doos. Daar zit vast een nieuw pak in. Waar zou hij het af gaan leveren? Ik weet bijna zeker, dat de Franšaise vanuit haar raam precies dezelfde blik werpt op die ene man, die daar voorbijgaat en ongeveer dezelfde vragen stelt.

Het verschil tussen ons is, dat zij met haar handwerk en ik met mijn roman bezig ben. Omdat een roman ook een soort handwerk is, is het verschil tussen ons veel minder groot dan je op het eerste gezicht zou denken.

Bovendien is er één opvallende overeenkomst tussen mijn buurvrouw en mij; we zijn beiden nieuwsgierig bij het onbehoorlijke af. Ik ben het onder het schone voorwendsel van mijn beroep. Zij is het zonder voorwendsel en zonder excuus. Met haar scherpe neusje, haar doordringende blik en het kopje dat stijf op de schouders zit en waarvan de scharnieren wat moeilijk lijken te gaan, kijkt zij om zich heen en neemt alles wat er gebeurt in zich op.

Als ik bezoek heb, loert ze zolang ze voor m'n huis loopt - en dat doet ze vaak, want ze heeft een hondje, dat met een dekentje op moet worden uitgelaten - naar binnen. Ze knikt even als ze me ziet, maar wendt niet, zoals anderen doen, daarna de blik af, maar blijft hardnekkig loeren.

Eén keer ging ik voor het raam staan en zwaaide haar uitbundig toe. Het gevolg was, dat ze op haar schreden terugkeerde, aanbelde en in gebroken Hollands - ze is al 25 jaar in Nederland, maar beheerst alleen de Franse grammatica - vroeg wat ik van haar moest. Meneer Verschuur, ik heb zien, dat u salueert ... En toen zei ze iets over service ...

Mijn opmerking, dat mijn servies - al was het dan niet twaalfdelig - met de verhuizing was meegekomen, hoorde zij glimlachend aan zonder er iets van te begrijpen.

Ze wachtte tot ik haar binnen vroeg en ze bewonderde alles wat ik had: mijn boeken, de secretaire, die ze merveilleuse vond en het portret van moeder, dat ze lang bekeek zonder commentaar te geven. Zijn vrouwen werkelijk jaloers op andere vrouwen en werd daarom haar blik boosaardig, toen ze zag hoe mooi moeder was?

Toen ze hoorde dat ze gestorven was, leek haar dat een zekere, door beleefdheid getemperde voldoening te schenken.

Ben schreef dit aan Frederikse, die hem telkens in korzelige zinnen antwoordde en hem informatie gaf over politiek Den Haag zonder uitvoerig in te gaan op wat Ben hem vertelde.

 

De Franšaise was al sinds '14-'18 in Nederland. Ze was huishoudster geworden van een rentenierende boer, die haar bij zijn dood een beetje geld had nagelaten; daarvan leefde ze in het kleine huisje, dat even voorbij dat van Ben gelegen was aan de weg naar het kerkhof. Geert Jalving vertelde hem deze dingen, zoals hij over meer mensen zou gaan doen.

Ben was nog maar goed en wel in het dorp, toen Geert in donkeravond - zoals de mensen de schemering noemden - op de stoep stond om te vragen of hij niet iemand nodig had voor de tuin.

Ben keek verbaasd op. Het was nog niet in hem opgekomen, dat er iets aan de tuin zou moeten gebeuren. Hij zou het liefst de struiken, het gras, de appelbomen en de goudsbloemen, die nog nabloeiden, laten groeien precies zoals ze zelf wilden, maar hij begreep, dat dat niet kon.

Vreemd was dat. Hij voelde zich zo vrij en ongedwongen als op zijn anonieme kamer in een willekeurige Haagse straat, maar toch begon hij zich te houden aan de ongeschreven regels van het dorp. Als hij 's avonds in het café zat en de schertsende taal hoorde van Tale en Mans - soms onderbroken door het ernstige geluid van Harm, de caféhouder - voelde hij ook in hun woorden een onderstroom van dwangmatigheden. Ook al waren zij als 't ware het spiegelbeeld, het negatief van wat het dorp wilde en zei en vond - zij hielden er toch terdege rekening mee, ook al zetten zij zich ertegen af.

Maor dat kan niet, mien jong, zeiden ze dan tegen Ben. Of: Wij doet dat altiedeng zo. Of: Dat wordt hier vaok zo daon... Alles met een glimlach en met een borrel als troost, maar toch ...

Geert zei: Maar dat kan toch niet, meneer, zo'n verwaarloosde tuin. En dat aan de weg naar het kerkhof !

Ben lachte en Geert werd rood. Nou ja, zei de jongen, meneer moet 't zelf weten, maar ik dacht, ik heb wel tijd ... en ik wil wel wat bijverdienen.

Kom er dan maar in, zei Ben. Want dat wil ik ook wel. Misschien kunnen we samen iets doen...

Met Verschuur, zeiden de mensen al gauw, weet je nooit waar je aan toe bent, wat ie meent en wat niet.

Geert stond verbaasd naar de wand met boeken te kijken en zei - wat al tienmaal tegen Ben gezegd was: Hebt u die allemaal gelezen?

Ze praatten die avond niet meer over de tuin, maar zaten bij het potkacheltje in de tuinkamer. Het werd al vroeg donker en 's avonds was het koud. Ben zocht hout in het bos achter het kerkhof.

Hij zei: Geert, ik heb echt geen geld. Maar ik wil je wel les geven in ruil voor het werk dat jij doet.

Les? Geert keek verbaasd op. Eerst was hij teleurgesteld. Vader had het geld zo nodig. Hij moest binnenkort weer hypotheekrente betalen aan Oldenhuis en bovendien in november aan Wubbing de huur van het land. Hij had het geld nog lang niet bij elkaar ... en nu begon Verschuur - die hij versleet voor een rijke meneer uit Den Haag - over bijles.

Ik ben geen student, zei hij. Maar boer !

Toen kwam in brokstukken het verhaal van het gezin, dat altijd afhankelijk was geweest. De grootouders woonden erbij in. Otie, zoals oma genoemd werd, deelde de lakens uit, bedisselde alles, ook de geldzaken.

Als vader iets nieuws wilde, werd het - als nieuwlichterij - afgewezen. Net zoals de mannen in de kroeg tegen Ben zeiden: Dat geet zo maor niet, mien jong, zei zij tegen zijn vader, een volwassen man: Dat kan niet, wastoe wist. - Wat jij wilt, dat gaat niet.

Hij moest blijven binnen de lijnen van de geleidelijkheid. En je moest de Wubbings dankbaar zijn, dat je een stukje overgeschoten land van hen kon pachten. Je moest proberen per jaar 10 gulden over te houden om zo een snipper heide te kopen van het grote veld, dat toen nog buiten het dorp lag. En dan, in de avonduren, nadat je de hele dag bij de boer had gewerkt, moest je dat land aanmaken, ontginnen. Met de hand.

Ja meneer, zei Geert. Met de hand, meter voor meter, met het hele gezin.

Als jongen van zeven ging hij al met vader mee en hielp met zijn twee oudere broers.

Dus jij bent de derde.

Ja, Jakob is de jongste, die altijd met Gerhard speelt.

 

Vader was er zo zat van. Toen hij wat land had, deed hij, wat niemand hem vergaf, de Wubbings niet en alle ouderen niet - al waren er die hem in hun hart gelijk gaven.

Hij ging bij zijn ouders weg. Hij liet ze gewoon zitten waar ze zaten. Hij ging naar Oldenhuis, leende geld en bouwde op één van zijn kleine stukjes eigen grond de boerderij in het Holt waar ze nu woonden.

Die naast de Wubbings? vroeg Ben.

Ja die. Nou en toen ging 't hard. We werkten als paarden, meteen van school als we 12 waren.

Zodat die bijles nog zo gek niet is,' zei Ben. En werken dat we deden ... werken !

Hij glom helemaal en hij leek zo oud opeens, zo wijs.

Alle kinderen leken hier trouwens ouder dan ze in jaren waren, in tegenstelling tot wat hij verwachtte. In de stad, zo zou je denken, waren de kinderen eerder groot en wijs en vroeg rijp, maar het was andersom.

Deze jongen was al een man, al wist hij eerst haast niet hoe hij zich moest gedragen tegenover die geleerde meneer uit het westen. Toen hij eenmaal tegenover Ben zat bij het potkacheltje, met een kopje thee in de hand, leek hij hier al heel lang thuis.

Terwijl hij vertelde over de stukken heide, die ze ontgonnen en de kranten, die hij bezorgde om bij te verdienen en het tuinzaad, dat ze verkochten en alles wat ze er verder bij deden om elk jaar de pacht van het gehuurde land en de rente en aflossing van de hypotheek op te brengen, zag Ben ook de verbittering groeien achter de ogen van de vroegwijze knaap.

Vader zegt, zei hij - en wie was die vader voor wie de zoon een standbeeld oprichtte in zijn woorden, die opstandige vader, die uitgebroken was uit de keten van het gezag, dat overgedragen werd van moeder op dochter - vader zegt: Je probeert een eerlijk mens te blijven, maar 't is moeilijk, meneer ... Weet u wat anderen doen?

Ben keek hem aan zonder te begrijpen wat hij bedoelde.

Bij Mans Hespering brandde het huis af. Hij had het net hoger in de verzekering gedaan. En weet u waar 't aangekomen was?

Ben zweeg.

In de waterput, zei de jongen, terwijl hij knipoogde, en dat gebeurt zo vaak. Laatst was 't zo, dat de hele inboedel al naar 't nieuwe huis over was gebracht toen het oude afbrandde. Toevallig hè? En natuurlijk zijn er nooit bewijzen en de verzekering betaalt het uit.

Ben keek hem verbluft aan.

Maar mijn vader wil zoiets niet. Mijn broer - de oudste, Hendrik, o, die is zo fel. Als die Wubbing ziet lopen, kijkt ie de andere kant op, alleen met Olga praat ie wel - die is heel anders. Nou wil ik u wel vertellen, dat Hendrik zei: 'Pap, waorum döst stoe 't niet? D'r is maor één lucifer neudeg en wat 'n aner lukt, kaanst stoe ok.' Maar vader zei: 'Nee jong, zo wil ik niet door de wereld als 'n bedrieger.'

O, wat keek hij nu fier en trots. Ben glimlachte om die jongen met z'n betrouwbare blik. Hij stond versteld van de praktijken, waarvan hij niets afwist.

Hier ging een hele wereld voor hem open van list en bedrog, van slimmigheden, die de mensen uitdachten om staande te blijven in de strijd om het bestaan.

O, zei de jongen, bij de brand laatst, hebben ze nog zo vreselijk gelachen. Toen was de oude burgemeester er nog en die was zelf commandant van de brandweer. De burgemeester was kwaad omdat er in die tijd zo vaak branden waren en heel vaak vreemde branden. U begrijpt wel. Nou hij wou er heel gauw heen. En de mannen, die het paard moesten halen, waren laat. Het duurde zo lang, dat de burgemeester zei: 'Mannen, het gaat toch van de heuvel af. Ik ga tussen de bomen lopen en jullie duwen de wagen op.' Nou daar gingen ze dan. Ze duwden de wagen op en de burgemeester liep tussen de hefbomen, waar anders het paard loopt. En toen, - hij begon zelf te lachen - toen ging het van de heuvel af en de wagen is zwaar en de mannen duwden en de wagen raakte op hol en zij sprongen erachter op, maar de burgemeester liep tussen de bomen met aan elke arm een boom en hij kon er niet meer tussenuit. Op de wagen springen, kon hij ook niet, daar was hij veel te stijf voor, zodat hij wel moest doorlopen, eerst langzaam, toen sneller, totdat ze in galop de helling afgleden en de burgemeester almaar riep: 'Stop mannen, stop !!' Hij werd roder en roder en hij werd, toen hij haast niet meer kon lopen opgeduwd door de wagen in zijn rug en achter hem riepen de mannen: 'Bravo burgemeester' en ze waren zo slap van 't lachen dat ze eerst niet konden spuiten toen ze bij de brand waren. De burgemeester was zo kwaad, dat hij stond te stampvoeten, maar ze lachten hem vierkant uit, want hij ging toch met pensioen en ze mochten hem niet.

Hij lachte nog zachtjes na en keek naar het vuur in Ben's kacheltje.

Wat vind jij van de nieuwe burgemeester? vroeg Ben.

Wel goed, geloof ik. Hij heeft m'n vader geholpen. Ieder zei, dat doet ie nooit, maar hij deed het. Maar hij is natuurlijk wel van 't zelfde clubje. Hij komt bij de Wubbings en al die anderen, die niet weten wat schulden zijn, die over hun eigen land kunnen lopen en er moe van worden, zoveel hebben ze ... Och goj, als je toch eens zoveel land had als zij ... En wij met vier jongens en daar maar één, en bij de twee o's geen één.

De twee o's?

Ja, zo noemen ze Onno en Olga. Wist u dat niet?

De jongen zat nu op zijn praatstoel. Buiten was het donker en over het veen trok een witte nevel, waar de koeien met hun poten in stonden, terwijl een schemerig licht over hen gleed. De aarde rook vochtig. Herfstgeur, humus, blad.

Olga is anders best aardig, zei hij. Die jonge Wubbing mag ik niet. Die gnis aait zo. Hij glimlacht altijd, net of dat zo hoort. Die heeft het hier. Hij wees op zijn ellebogen.

Vorig jaar kwam ie op een avond bij ons. Wij dachten: Misschien gaat het nou beter. De oude Wubbings zouden ja naar het dorp, hij zou de zaken dan wel overnemen, maar ho maar. D'r moest weer wat bij de pacht. 't Viel allemaal zo tegen en zo. Als 't ons te veel werd, wou hij 't land ook wel weer hebben ... Begrijpt u dat dat zomaar kan?

Terug: Index feuilleton