Terug: Index feuilleton

Het jaar van de ooievaar - Gerard Nijenhuis

Aflevering 9

Die avond waren de nieuwe burgemeester en zijn vrouw stil en moe bezig naar bed te gaan. Het gezicht van de burgervader, die ook bij het uitkleden heen en weer liep met dezelfde stijve, strakke pas, waarmee hij overdag door de opkamer liep, was veranderd. Het was alsof de jaloezieën naar beneden waren, de blinden waren dicht, het gezicht gesloten.

Zijn vrouw wist, dat ze niets zeggen moest als hij dit gezicht op had. Hij kon om het minste of geringste boos worden, uitbarsten tegen de eerste de beste die hem voor de voeten liep.

Zij was ook moe. Sinds ze ziek was geweest en tussen dood en leven had gezweefd, was ze vaak moe. Het leek of alles langzamer ging. Alsof het leven zich buiten haar om voltrok zonder dat ze er invloed op had. Het gebeurde. En zij kon alleen maar ja knikken of zacht fluisterend nee zeggen.

Toen hij, Hermannus, naar het burgemeesterschap solliciteerde, wist ze niet wat haar overkwam. Hij vroeg ook niet wat zij ervan vond. Het lag voor hem zo in het verlengde van het vorige, het was zozeer de logische consequentie van zijn deelname aan allerlei besturen, dat hij het haar pas vertelde toen de brief al weg was.

Toen ze het hoorde, schrok ze zo, dat ze zich even het gaan en zei: Nee, Hermannus !

Waarop hij verbaasd opkeek en vroeg: Waarom niet? Dacht ze soms dat hij het niet kreeg? Of twijfelde ze aan zijn capaciteiten?

Maar dat was het niet ! Zij - Roelien - twijfelde aan zichzelf, zag zich al als burgemeestersvrouw speeches houden, openingen verrichten, vergaderen met welbespraakte dames. Ze kreeg het er warm van, alleen al als ze eraan dacht.

Wat zij wilde was: rustig op deze boerderij wonen, mensen zien bij wie ze zich thuis voelde, met Gerhard thee drinken als hij uit school kwam en luisteren naar zijn eigenwijze jongensverhalen. Bloemen plukken in de tuin en die in vazen zetten, zilver poetsen en met Hannah praten, de huishoudster van de dominee aan de overkant. Dat wilde ze. En met Marchien, die maar even jonger was dan zij, de kamers doen en soms met haar lachen en giechelen alsof ze nog op kostschool zat, en zich veilig voelen in die kleine wereld van een huis, een erf, een tuin.

En nu ...

 

Maar je weet toch, dat ik het niet voor mezelf doe?

Geloofde ze dat? O, ze hield van hem, ze had een eik nodig om in de schaduw van zijn takken te schuilen en tegen zijn stam te leunen. Maar soms was er erg veel schaduw, meer dan zij bedoeld had te vinden en het simpele leven was verder weg dan zij dacht.

Er is immers geen toekomst in de boerderij? Dat zie je toch zelf? We maken er niets uit, niets. We leven ervan, meer niet. En als ik eenmaal burgemeester ben, kan ik iets doen.

Ja?

Iets doen voor het dorp.

Zij wist dat hij zich zag als degene, die de mensen leiding moest geven. Hij had een natuurlijk overwicht. Mensen kwamen op hem af, vroegen hem om raad. Altijd weer was ze verbaasd te zien hoe hij, die zo weinig geduld had met zichzelf en met zijn eigen vrouw en zoon - luisteren kon naar de mensen, die bij hem op de stoep stonden en om raad kwamen vragen.

Ook mensen, die hem niet sympathiek waren, hielp hij met raad en daad. Het geld, dat hij bezat, liet hij daarbij niet buiten beschouwing. Als hij mensen helpen kon, deed hij het met een royaal gebaar. Hij had - hoe bezorgd hij ook kon doen over de opbrengst van de boerderij - een royaliteit, die haar, zuinig als ze was, verbaasde. Ze verdacht hem er soms van, dat hij het fijn vond zo royaal te doen, alsof hij boven de materie verheven was. Geldzaken - hoe zorgvuldig hij anderzijds ook met geld was, maar dat was hij met alles - waren eigenlijk beneden zijn waardigheid.

Hij voelde zich een hele seigneur met het land, dat hij geërfd had en het geld, dat hij uit haar familie had gekregen. Verbazingwekkend was het voor haar, dat hij ook aan mensen, die hij niet mocht of van wie hij de onbetrouwbaarheid wel moest doorzien, geld leende, hypotheek gaf en zodoende vertrouwen toonde in ondernemingen die dat niet waard waren.

Het sterkste staaltje, dat ze had meegemaakt, was wel dat van de lening aan de Jalvings.

Toen die met Olga en Onno - en Onno was nota bene een vriend van Hermannus - in conflict raakten, waren ze bij Hermannus gekomen. Ze wilden een nieuw huis bouwen om de Wubbings in hun oude boerderij naar de kroon te steken. Ze kwamen Herrnannus een lening vragen in de vorm van een hypotheek. En hij gaf ze dat geld zonder blikken of blozen.

Woedend was ze erover geweest, zo woedend, dat het de enige keer was in hun huwelijk, dat zij echt ruzie kregen.

Hoe kun je dat nou doen.

Hij keek dan dom en log. Hij ging bij zulke gelegenheden op Astor lijken, zijn hond, zijn tweelingwezen.

Maar die mensen moeten toch ook vooruit, Roelien en van de bank krijgen ze 't niet.

Nee, dat zou waar zijn! Ze hadden al schulden genoeg. Het waren mensen, die alles tegelijk aanpakten, land ontgonnen, machines kochten, alles - en dat terwijl ze als kleine huurboeren begonnen waren. Huurders bovendien van land van Onno's familie, die ze nu openlijk verachtten. God-ogod, nee, zo simpel was het niet als zij het zich had voorgesteld, toen ze voor het eerst het lage boerenhuis met de groene blinden in de grote tuin zag liggen.

Het leek allemaal zo eenvoudig. Ze trouwde een welvarende boer - zelf had ze geld - en Hermannus was alom gezien en genoot aanzien. Hij werd in het ene na het andere bestuur gekozen. Ze woonde op het mooiste punt van het dorp en ze waren beiden jong. Zij was verlegen, angstig, maar hij was breed en sterk en durfde alles aan. Hij zag gewoon geen moeilijkheden en als ze er toch bleken te zijn, keek hij verbaasd, soms ook beledigd. Hoe kon het nou, dat het hem zo tegen zat?

Hij vertederde haar dan. Zoals ze hem ook vertederde toen - op de middag van de benoeming - het fanfarekorps aan kwam zetten om een serenade te brengen en zij beiden niet wisten wat ze moesten doen en als onhandige kinderen zich schuil hielden in de gang.

 

Maar nu ze de tweede avond -op hun pas verworven burgemeesterschap zagen neerdalen - en Ben allang vertrokken was om zijn stuk te schrijven voor de krant in Den Haag, waren ze beiden moe en onzeker. Wat zou er niet allemaal in hun leven veranderen, hoeveel verplichtingen, waar ze nu nog niet van wisten, hadden ze argeloos en wel op zich genomen? Paste dat nieuwe leven wel bij het oude, dat zij de eerste tien jaren van hun huwelijk hadden geleefd op de boerderij, met mensen als Lukas en Marchien altijd om hen heen?

 

Wat ik je nog niet verteld heb, zei hij, terwijl hij zijn witte lange onderbroek keurig opgevouwen over de stoelleuning hing, ik ben bij de architect geweest. Hij zal een plan maken. Hij heeft er wel wat tijd voor nodig natuurlijk ...

De koorts had hem te pakken gekregen, zodra hij begon te dromen van het burgemeesterschap en het binnen zijn bereik was. Met doortastendheid, die haar benauwde, had hij al dagdromend gezegd: Als het doorgaat, doen we de boerderij weg. Lukas gaat met pensioen.

Ze was helemaal verstard toen ze het voor het eerst hoorde.

En het huis doen we weg. 't Is toch allemaal oud.

Zij ried wat hij bedoelde.

En het past niet bij het burgemeesterschap. We laten Van Eek een nieuw huis ontwerpen. Modern en zo. Makkelijk voor jou en Marchien. En we nemen centrale verwarming.

Nu bevroor 's winters het water in de lampetkan op hun slaapkamer tot een dikke laag ijs.

En we laten de tuin opnieuw aanleggen...

Toen had ze gedacht, dat het dromen waren, die overdreven als wolken. Maar waren al niet veel van die dromen werkelijkheid geworden?

Zijn somberheid verdween, als hij zo fantaseerde. Hij praatte zichzelf uit de put. De vervreemding, die zij beiden hadden gevoeld, overwon hij door het onbekende in te vullen.

Voor haar werd het daardoor nog angstiger, omdat ze wist, dat zoveel zou veranderen in hun leven zonder dat zij de gevolgen kon overzien.

Hem lokte dat juist. Was hij daarom ook meteen thuis bij Ben Verschuur, die andere avonturier, die telkens uren bij hem zou zitten in de opkamer, waaruit steeds vaker gelach zou opstijgen naarmate de rook dichter en de fles leger werd?

Maar Gerhard dan? zei zij zacht.

Hij krijgt een speelkamer. Met een tafel voor zijn trein.

Ze glimlachte, omdat ze opnieuw de patriarch in hem zag, de sterke man, die het wel in orde zou maken en die hield van zijn mensen met een grote, beschermende, dwingende liefde.

Terug: Index feuilleton