Terug: Index feuilleton

Het jaar van de ooievaar - Gerard Nijenhuis

Aflevering 3

's Avonds in het café zaten de mensen om hem heen en keken naar hem met toegeknepen ogen.

Hoe is 't met 't hoes, meneer? vroeg Mans Kwak. Hebt u 't al gekocht?

Dat kan ja niet, Mans, zei Tale Hendriks, de garagehouder, die een muizekopje had, toegespitst, met een grijze snor, morgen is de verkoping toch pas?

Meneer kan 't toch uit de hand kopen, zei Mans deftig, alsof hij nooit anders deed. Als meneer maar genog betaalt, dan kan dat wel, anders geet de hele verkoping niet deur!

Jij denkt zeker dat dat volk oet Holland almaol gelieke riek is, maor daor zult de centen wel even betuun wezen as hier, niet meneer?

Betuun? vroeg Ben.

Dat is dat 't betuun is, zei Harm. Ja, jongens, hoe zeg je dat . . ? Nou, dat d'r niet veul van is.

Schaars?

Ja, dat bedoel ik. 't Mag vanzelf bij meneer wel anders wezen, maar ik heb wel begrepen, dat schrijvers ook niet te veel verdienen?

Er kwamen steeds mensen binnen, die door de gelagkamer naar de achterzaal liepen. Ben begreep, dat daar een vergadering werd gehouden.

Van de sociaolen, zei Mans. Maor wij doen niet an poltiek, wat zeg jij, Taole?

Taole zei: 't Komp toch zoas 't komp, daor kunj niks an veranern.

Ben hoorde, dat het om de S.D.A.P. ging en keek naar de mensen, die binnenkwamen: een paar landarbeiders - dagloners noemden ze die vroeger - een enkele boer, een paar mensen, die middenstanders zouden kunnen zijn en een paar witte boorden.

Eén van hen kwam even aan de stamtafel staan: Zit jullie wel in de goede afdeling, mannen?

Tale keek hem aan. En doe dan Jop, doe heurst niet achter de taofel, maor d'r boven op.

En als uitleg tegen Ben: Da's 't opperhoofd van de partij, de kleermaker van oes dörp, hè Jop Snieder?

Ben keek naar de kleine man met zijn brilletje op het wat kalende hoofd. En de ander keek tegelijkertijd onderzoekend naar hem. Hun blikken rustten even bij elkaar en ze glimlachten allebei.

Hej ok nog 'n nije sikketaoris neudeg, Jop? vroeg Tale. Dizze meneer hier wil 't hoes van de freule kopen. En dan hef e vast wal 'n baontie neudeg.

Och jong, zei Mans, da's niks veur Jop zien kluppie, meneer is dommit hoezenbezitter.

Nee jong, daor geet 't niet um; meneer is journalist en dat kun Jop best ies gelegen kommen. Kan wezen dat de notulen dan nog ies zo spannend wordt, dat wij ok in 't zaol komt.

Ze lachten en Ben begreep, dat het hier al net zo ging als in Den Haag: In de kroeg worden alle onderwerpen behandeld, maar de toonsoort verandert. De ernst wordt thuisgelaten of verbannen naar de achterzaal, waar de vergaderingen gehouden worden.

Rond de stamtafel worden wel alle onderwerpen aangeraakt, maar niet uitgediept. Men blijft bij de anekdote, het verhaal en laat de problemen, die achter het verhaal liggen, voor wat ze zijn. De droevige kant van het bestaan, het verdriet en het gemis, worden hier niet opgeroepen, maar bezworen.

Ben wist niet wat hij kiezen moest, de voor- of de achterzaal. Hij wilde best eens praten met Jop Snieder en meer horen over diens ideeën, maar deze avond wilde hij niets liever dan alleen maar aan de buitenkant van de dingen blijven, om van binnen te dromen over het huis, dat hem bezighield.

Hij werd zenuwachtig als hij eraan dacht en melancholiek als hij zich voorstelde, dat het hem zou kunnen ontgaan.

Toen het laat geworden was - de mensen van de vergadering waren al lang naar huis en ook in de gelagkamer was het stil geworden - liep hij nog door het dorp.

Het was fris en een beetje vochtig. Hier en daar brandde nog licht in de slaapkamers. In andere huizen, waar bedsteedeuren openstonden naar een keuken-kamer met rechte stoelen langs het beschot, brandde een nachtlampje op de beddeplank. Van buiten zag je een flauwe glans als van een theelichtje.

Een poes liep voor hem de straat over. Tussen de bomen vlogen de vleermuizen heen en weer met hun zwenkingen zonder geluid.

De weg naar het kerkhof was verlaten. Het café van Ottens, waar de verkoping zou worden gehouden, was al donker.

Zijn huis lag wit en roerloos onder de bomen. Ben stond bij het houten hek, met zijn verspringende puntige bovenkanten en keek naar de ramen en de blinden, waarvan een enkele was scheef gezakt. Hij rook de geur van gras en zand.

Ver weg blafte een hond, waardoor het nog stiller leek. Soms was het alsof in de verte iets verschoof. Er ruiste een vlaag wind door de bomen.

Bij het buurhuis zag hij nog licht; daar woonde een oude vrouw, die ze in het dorp de Franšaise noemden. Een vluchteling uit de wereldoorlog, die nu, vijftien jaar later, nog altijd in het dorp woonde.

Zou hij het hier uithouden in dit slapende dorp?

Hij kon toch niet elke avond naar de kroeg gaan om het gepraat van Mans en Tale aan te horen?

Maar zij waren de enigen niet die hier woonden. Hij dacht aan Jop Snieder en diens rustige blik en wilde meer weten over wat die man bewoog om gewoon door te gaan met wat hij deed, ook al werd hij door de anderen uitgelachen.

Hij dacht ook aan zijn werk. Hoe zou hij hier kunnen leven? Als hij het huis kocht, dat op
fl 2000.- was ingezet en misschien veel meer zou opbrengen, had hij van zijn kapitaaltje maar heel weinig over. Hij moest toch in elk geval een paar van de noodzakelijkste dingen laten repareren om er te kunnen wonen?

Zou hij hier kunnen schrijven, de roman afmaken, die hij al zo vaak begonnen was? Zou hij hier zichzelf vinden?

Hij glimlachte als hij het zo formuleerde. Hij wist ook wel, dat al die overwegingen onzin waren, omdat ze hem niet meer zouden kunnen tegenhouden, als hij de kans kreeg hier te wonen.

 

Het zaaltje was al vol toen hij er binnenkwam. Buiten stond het fordje van Wubbing naast de auto van de notaris; dat was een beangstigend beeld en alle overmoed was uit hem weggevlogen, toen hij de blikken van de mensen op zich gevestigd voelde.

Mans Kwak stond van zijn stoel op en wenkte hem. Knoop zag hij naast de notaris achter een grote tafel. In de hoek was een tapkast met veel glas en spiegels. Daar stond de waard, die de mensen voorzag van koffie, borrels en bier.

De stoelen waren in rijen gezet met hier en daar een tafeltje ertussen. Er hing een walm van rook, de stemmen gonsden, er klonk gelach. Het was net een schoolklas op vakantie met Knoop als goedmoedige bovenmeester, die toezag hoe ze bezig waren met hun consumptie.

Wubbing zat op de eerste rij. Hij was één van de weinigen, die niet in gesprek was. Zijn vrouw was er niet. Vrouwen ontbraken trouwens helemaal, zoals Ben ook 's avonds bij Harm al was opgevallen.

De notaris sloeg met de hamer op de tafel en zei: Zullen we beginnen?

Knoop was er ook. Hij zou onder het toeziend oog van de notaris de biedingen overnemen, herhalen en met zijn vingers wijzen naar degene, die het bod uitbracht.

Ben dacht: Ga ik tot vier of tot vijf, of moet het zes worden? Weer wilde hij weglopen, al was het maar naar het toilet en - o god, hij had helemaal vergeten te vragen of er nog kosten bijkwamen als je zoiets kocht.

 

Het huis is ingezet op 2000 gulden - wie biedt meer dan 2000? Wie?

Even bleef het stil. De zaal keek naar Wubbing. Toen klonk opeens een stem van vlak bij de deur. Daar stond Tale Hendriks, terwijl de anderen allemaal zaten - en riep: 2000 en 100 gulden!

Verrek, dacht Ben, die gaat het kopen, de vuillak.

Voordat hij iets zeggen kon, had Wubbing, hees en wel 2200 gezegd, langzaam en bedaard, terwijl Ben nog niet van de schrik bekomen was. Nu liep het snel op, het bod vloog heen en weer. Tale bood en leek spitser dan ooit. Wubbing's stem klonk monotoon, soms haperde hij en leek de stem als van ver te komen.

Toen het 2700 was geworden, hield Tale op.

Niemand anders had zich in het bieden gemengd. Daarvoor waren ze ook niet gekomen, de mensen in het café. Ze wilden alleen maar kijken wie het kreeg: die meneer oet Holland of Wubbing en het was al sensatie genoeg dat Tale bood!

Hij durfde wel! Alle kans dat Wubbing volgende week met zijn auto naar een buurdorp reed uit woede over de voet, die Tale de garagehouder, hem had dwars gezet.

Ben bood vanaf 2700. Zijn stem klonk vreemd en deftig, het leek of de honderdjes wat ronder waren als hij bood.

Het liep op tot 3500, het werd 3600, 3700, 3800. Het leek of Wubbing rood werd. Voor een huisplaats werd het wel duur.

Maar ieder wist ook, dat hij door zou gaan. Als hij zelf al niet wilde, omdat hij net zo lief in het Holt bleef, dan had zijn vrouw hem zeker de boodschap meegegeven, dat hij 't kopen moest, wat het ook kosten zou. Je kon je toch niet de wet laten voorschrijven door zo'n vreemde, die je nog voor de gek hield ook?

Ben wist ook niet meer van ophouden. Een hardnekkigheid kwam over hem, die de mensen op de krant van hem kenden.

Vooral als de hoofdredacteur iets betwistte, waarvan hij overtuigd was, kreeg hij dat koppige. Nee, Frederikse, zei hij dan, zo is het niet. Om vervolgens een vlammend stuk te schrijven, zo helder en overtuigend, dat de ander zich gewonnen gaf.

Ze waren nu al over de 4000, en de zaal hield de adem in. Mensen, die voor hem zaten, keken om met een mengeling van bewondering en nieuwsgierigheid.

Wubbing niet, die keek niet om. Hij keek ook de notaris niet aan, maar leek door de muur heen naar het Holt te kijken, waar zijn vrouw de kasten opruimde om straks - als het nieu- we huis gebouwd was, waar nu het oude stond - niet zoveel spullen te hoeven verhuizen.

Ze waren bij 4400 toen het stokte. Wubbing bood, maar het leek, dat hij wankelde zoals een boom, die geveld wordt, vlak voor hij valt even heen en weer beweegt.

Toen bood Ben, helder en strak 4500 en daarop kwam er geen geluid meer. De hamer van Knoop viel met een klap neer op de tafel: 4500, wie biedt meer dan vijfenveertighonderd gulden? Eenmaal - andermaal - en net toen de hamer neerviel en Knoop riep: verkocht ! sprong Wubbing overeind, hij schokte met zijn schouders, bleef in het getal steken, wrong opnieuw met zijn schouders en zei fluisterend: 4600.

Dit ging echter teloor in een reusachtig rumoer, dat haast leek op applaus, gemengd met kreten. Mans Kwak, die de mond open had laten staan, toen hij het bieden volgde en halfovereind gekomen was, toen het afliep, klapte van opwinding in de handen en veroorzaakte, wat later door de Wubbings werd uitgelegd als een hoogst onaangenaam en partijdig applaus, waarmee dorpsgenoten nota bene kozen voor een meneer van buiten, die een huis kocht waarop één van de eigen dorpelingen zijn zinnen had gezet.

Wubbing stond op en liep naar de notaris. Hij was rood en zei: Notaris, dit kan niet ... ik har ... ik wol ... ik kun... De notaris werd bijna even rood als hij. Woede is moeilijk te bedwingen, maar lachen - terwijl één van je beste klanten voor je staat - nog veel moeilijker!

Tenslotte zei de notaris: Ik kan er niks aan doen, Wubbing.

De mensen in de zaal zeiden: Knoop hef even te gauw west.

Maar Knoop zei: Ik was even vlug als altijd.

Het bleef zoals het was: Ben Verschuur had het huis van de freule gekocht, omdat Wubbing bleef steken in zijn laatste bod.

Nou zal ie ook wel in het Holt blijven, zeiden de mensen - en het was niet duidelijk of ze daar rouwig om waren of niet.

Terug: Index feuilleton