Terug:Index feuilleton

Het jaar van de ooievaar - Gerard Nijenhuis

Aflevering 2

 

En nu stond hij met Knoop, de notarisklerk, in het huis. Hij keek uit op een brink. Ook daar lag een café.

Drooggelegd word ik hier niet, zei Ben. Je kan hier nergens komen of er is een brink en een café.

Daar is de verkoping morgen ook, zei Knoop.

Ben liep het huis door. Hij zag de gebreken niet, hij vroeg niet of het lekte, hij keek niet naar de toestand van de vloeren.

Waar hij naar zocht, dat was de geest van het huis. Die vond hij door de bomen. Er stonden vlak om het huis lindebomen, die vroeger geschoren waren, geknipt en gesnoeid, opdat ze tot een haag aaneen zouden groeien. Later was dat niet meer gebeurd en de kruinen waren toch weer uitgegroeid.

Het licht, dat binnenviel - het huis had een oostgevel, waar je binnenging, een zuidgevel, waar de meeste ramen zaten en een westgevel, waar de veranda lag - werd gezeefd door het blad van de bomen. Dat blad was al een beetje geel en er hingen bruine vruchten aan de linden.

Ze ruisten zacht en het licht was goud.

In dit licht wil ik werken, dacht Ben. Hier wil ik wonen. Een koorts kwam over hem, erger dan het avontuur, dat hem opeens toelachte vanuit die vreemde, plechtstatig geformuleerde aankondiging van de verkoping. Hij liep de kamer door, terwijl Knoop hem met rust liet en uit de verte zag, wat er in de jongere man omging.

Met zijn wandelstok tikte hij op de houten vloer en hoorde het geluid weerkaatsen tegen de wanden. Hij maakte een paar grote stappen en zong plotseling een frase uit Die Zauberflöte, met een hese, omfloerste basstem: In diesen heil'gen Hallen kennt man die Rache nicht...

Daarna mat hij met zijn blik de wanden: De boekenkast, de secretaire van zijn vader, alles wat hij zo plotseling geërfd had bij de dood van zijn moeder - vader was al vroeg gestorven - kon hier staan tegelijk met het kreupele meubilair van zijn vrijgezellenkamer.

Hij liep de tuinkamer in. Vandaar zag je de brink en de andere huizen nauwelijks meer, maar door de takken van de vruchtbomen heen - die vol appels en peren zaten - zag je de glooiing van de es. Het koren was al lang gemaaid, een enkel stuk land was al geploegd, alleen de aardappels waren nog niet van het land. Het gestorven loof rook hij, toen hij de tuindeuren naar de veranda had opengewrikt.

Toen hij daar stond in de verwilderde tuin - goudsbloemen bloeiden er tussen gras en zuring, brandnetels waren er en half-hoge struiken - klonk op de es een schot.

Hij hoorde de snelle vleugelslag van de patrijzen, tegelijk met hun angstig gekir. En toen klonk nog een schot.

Hij draaide zich om en zei tegen Knoop, die hem bescheiden, op afstand was gevolgd: Is het hier veilig of moet ik een helm op?

Knoop glimlachte. Da's Oldenhuis, één van de grote boeren van het dorp. Een kopstuk van een kerel.

En die wil zeker ook hier wonen? vroeg Ben benepen als een kleine jongen.

Nee. Knoop lachte. Dat denk ik niet. Hij heeft een grote boerderij naast het café, waar u sliep.

0, naast Harm en Lammechien.

Meneer is goed op de hoogte.

Ik ben journalist, zei Ben, ik registreer alles wat ik zie.

Kijkt u ook naar dakgoten en vraagt u niet of het lekt en hoeveel grond- en personele belasting er betaald moet worden?

Ben keek hem aan. Hij voelde dat de oude man hem mocht en hem wilde waarschuwen.

En toch wist hij bijna zeker dat hij het zou doen, als tenminste niemand meer zou bieden dan hij redelijkerwijs kon besteden.

Ook al waarschuwde Knoop hem, hij zou het doen. Wie kan verliefden raden?

Het huis had hem te pakken, zoals een liefde je plotseling te pakken krijgt.

Het had zo'n eigen karakter, het lag zo veilig teruggetrokken achter die rij lindebomen en tegelijk zo verbonden met het dorp en de brink ervoor, waarin de tuin van het huis als het ware overging. Het was zo betrouwbaar met het donkere dak, dat hij zeker wist, dat hij hier wilde wonen.

En in dit huis had een vrouw gewoond, die weliswaar hier geboren was, maar ook in Den Haag had gewoond, midden tussen de mensen, net als hij - en die toen weer naar hier was teruggegaan.

In de schuur stond nog de koets, waarmee zij was uitgereden en die - zoals hij van Knoop had gehoord - in de koop begrepen was.

Is ze oud geworden?

De freule? Over de negentig. Daarna is het huis van de een op de ander overgegaan, steeds weer doorverkocht. Soms kwamen er mensen wonen, maar na een tijdje vonden ze het hier toch te stil en trokken weer weg.

Ben keek uit over de straat. Een wipkar reed voorbij met een traag paard ervoor. Verder was er niets dan stilte.

Knoop keek hem aan. Hij had de trekken overgenomen van het vak, dat hij diende en een zekere vaderlijkheid ontwikkeld, die bij een oude notaris past. Met zijn grijze snor en zijn buikje leek hijzelf op een notaris. Knoop van notaris, zo heette hij in de wijde omtrek. Vaak kwamen mensen bij hem om raad of hulp.

Hij keek naar de nog jonge man, die in gepeins voor het raam stond. Die had iets deftigs met zijn zegelring, zijn vlinderdas en z'n lange gestalte, een klein beetje corpulent - en tegelijk had hij iets jongensachtigs. Er was in zijn houding een onzekerheid, waardoor er als vanzelf een beroep werd gedaan op het zekere in de ander. Zijn ogen waren in het gezicht het opvallendst: ze waren groot en grijs en als hij sprak, werden ze nog groter, vooral als hij zich verbaasde of blij was.

't Is een groot kind, dacht de klerk. Als hij zich maar niet verliest aan dit oude huis. Zou hij het er trouwens wel uithouden na al die bewoners, die weer waren weggevlucht?

Ben ried zijn gedachten. Hij zei: U denkt zeker, wat moet zo'n meneer uit Den Haag met dit huis? Hij glimlachte even en zijn stem had een licht-hese klank. Een stad is ook niet alles en als ik schrijven wil, heb ik rust nodig en die is hier toch?

Dat zou ik denken, meneer, maar u moet wel weten wat u doet!

Toen ging de bel, een ouderwetse trekbel met een roestig geluid. Het klonk door de hele gang. De Wubbings, zei Ben en maakte een buiging als op een Haagse receptie.

Knoop glimlachte, schoof de gang in en deed de deur open. En het waren de Wubbings.

Voor het huis stond een fordje op hoge poten te glanzen in de zon. Je kon zien dat het al enkele jaren oud was, maar het glansde alsof het nieuw was.

De man, die binnenkwam, was veel minder oud dan hij uit de woorden van Knoop had opgemaakt. Voor hem stond geen oude, afgeleefde boer, maar een kleine wat gezette man met een blozend gezicht, een snorretje en kort, rechtopstaand haar. Hij was niet veel ouder dan 50 jaar. Zijn ogen waren flets en als hij je aankeek, leek hij je niet te zien. Naast hem, één tree voor hem zelfs, stond zijn vrouw.

Zij was heel slank, iets groter dan haar man en had een bril op van enkel glas. Daarachter blikkerden felle, donkere ogen. Er ging nu en dan een zenuwtrekking over haar gezicht, terwijl haar mond, telkens als ze iets zei, een beetje open bleef staan, zodat je duidelijk haar witte tanden zag.

Wij wouen eens even kijken, zei vrouw Wubbing. Hoe is 't met Knoop? Zeker niet veel belangstelling voor 't huis, wel?

Ze namen van Ben, die achter Knoop in de gang stond, nauwelijks notitie, keken even naar hem, wendden zich dan weer tot Knoop.

Het verbaasde Ben hoe gauw zij klaar waren met het bekijken van het huis. Terwijl hij nog stond te dromen en in elk vertrek bedacht hoe hij er zou wonen, hoorde hij hun stemmen alweer uit een volgend vertrek komen met steeds dezelfde rustige conclusie, dat 't niet veel was, terwijl in hun stemmen doorklonk, dat zij toch van plan waren het te kopen. Deden zij, wat zoveel mensen doen: iets afkraken om het goedkoper in handen te krijgen?

Het werd Ben angstig te moede. Het bedrag aan geld, dat hij geërfd had, was niet groot. En daar liepen mensen in het huis rond die, zo had hij begrepen, rijk waren. En hoewel ze heel ingetogen waren, lieten ze er geen twijfel over bestaan, dat ze de macht hadden om het te kopen en hun vluchtige blik, die langs de dingen streek, zoals een schijnwerper 's nachts even langs de dingen glijdt, gaf hem te verstaan: Jij bent een vreemde en wij hebben hier het eerste recht.

Hij voelde zich moedeloos en ontheemd. Na de dood van zijn moeder was een geborgenheid weggevallen. Hoewel hij al jaren op kamers woonde en veel vrienden had, mensen die hij sprak op de krant of in het café, had hij toch niet het gevoel ergens werkelijk thuis te zijn.

Toen hij daar zo alleen stond in de tuinkamer bij de veranda, terwijl vrouw Wubbing het behang in de mooie kamer ernaast met haar felle ogen betastte en het als 't ware al van de muren rukte, was hij niet langer de vlotte, speelse Ben, die altijd verhalen heeft en grappen maakt - de speler, van wie de mensen zich soms afvroegen, wie hij nou eigenlijk was.

Hij stond daar - alleen - met de deur naar de andere kamer open, uit te zien over de tuin zonder dat hij iets zag.

Hij realiseerde zich opeens, dat hij zich sinds een dag - voor het eerst in zijn leven - helemaal thuis had gevoeld en dat nog wel op een plaats, waar hij nooit eerder was geweest.

Als hij anders ergens heenreisde - en hij had veel gereisd, ook voor de krant - wilde hij altijd verder. Als hij ergens, waar iets te bewonderen viel, een dag overbleef, ontwaakte meteen weer het verlangen naar het volgende, het nieuwe, het onbekende.

Was dit nu voor het eerst anders? Of kwam het alleen door het huis, dat hem te pakken had?

Toen zijn vader vroeger voor zijn werk om de twee of drie jaar werd overgeplaatst, had hij als opgroeiende jongen wel eens verzucht: Kon ik ook maar ergens blijven wonen, mensen vinden, waar je bij horen wilt.

Nu was het zo, dat mensen hem gauw verveelden en vermoeiden; hij voelde zich door hen gebonden en vastgezet. Daarom was het met de vriendinnen, die hij had gehad, misgelopen en ook van zijn vriendschappen had hij nooit het gevoel, dat ze hem volledig in beslag namen. Na een avond of een nacht van intens praten, was er de volgende dag een gevoel van teleurstelling. Nadat hij zich eerst met iemand één had gevoeld, was hij zich des te scherper bewust, dat hij alleen stond.

Het was alsof de mensen vlak bij hem waren - net als de Wubbings en Knoop in de andere kamer - en toch onbereikbaar bleven.

Zou hij maar niet de achterdeur uitsluipen en de bus nemen, die bij de kerk, tegenover Harm en Lammechien, uit het dorp vertrok?

Zou hij niet in Assen de trein pakken en dit dorp met het verlaten huis voorgoed vergeten?

Maar de freule dan? Ze kon hier toch niet alleen achterblijven? Wat moesten de Wubbings nou met haar? Ze had toch iemand nodig, die haar begreep?

Hij lachte. Hij werd weer de speler met woorden en tijden en mensen; de schrijver, die het allemaal dooreenhaspelt en er zijn eigen verhaal van maakt. En in elke kamer zat minstens één verhaal.

't Is de stee, zei vrouw Wubbing, terwijl ze achter hem langs liep om via de gang en de voordeur te vertrekken. 't Is de stee, waar 't ons om gaat. 't Huis is niks.

Wubbing hoorde hij nog iets zeggen, zonder het te verstaan -en wat hem nu pas opviel, was, dat de man stotterde.

Knoop liet ook Ben even later uit en keek hem onderzoekend aan: Tot morgen?

Ja, tot morgen. Ook als ik het niet koop, wil ik wel eens zien, wat er met mijn huis gebeurt!

Terwijl zij in de deuropening stonden, reed Wubbing weg. Het fordje kuchte, schoot één stap vooruit en stond toen weer. Het stotterde net als z'n eigenaar. Door die onverwachte schok, maakte het hoofd van vrouw Wubbing een onwillekeurige beweging, die leek op een hoofse groet.

Ben beantwoordde die vanaf de stoep met een diepe buiging, waarop Knoop - iets sneller dan te verwachten was - achter de deur ging staan en die sloot.

Ben wandelde met zijn wandelstok zwaaiend terug naar zijn hotel.

Het dorp was stil en stralend. Het was september, maar nog warm. Mensen werkten in hun tuinen, boeren keerden terug van het land en toen het twaalf uur werd, ging de sirene van de melkfabriek om de mensen te waarschuwen, dat het tijd was om te eten. In alle huizen stond nu een schaal aardappels op tafel met een kommetje vet erin. Op de borden lag gebakken spek. Je rook het op straat. Om vijf over twaalf was alles uitgestorven. De kinderen waren uit school naar huis gehold en iedereen zat te eten.

Ben stond op de brink en dacht na. Zou hij het hier uithouden bij de Wubbings, bij Harm en Lammechien, bij Knoop en de notaris, bij de op patrijzen jagende Oldenhuis en bij al die andere mensen, die hier rond de brinken woonden?

Hij wist het niet, maar hij vond het de moeite waard om het te proberen. Hij had in elk geval het gevoel, dat hij het huis van de freule redden moest van een zekere ondergang. Als de Wubbings het kochten, werd het afgebroken, maar ook als één van de andere mensen uit het dorp het zou kopen, zou het verdwijnen of op zijn minst onherkenbaar worden verminkt.

Terug: Index feuilleton