Terug: Index feuilleton

Het jaar van de ooievaar - Gerard Nijenhuis

Aflevering 1

Het huis, waar het om ging, lag aan de rand van het dorp. Het was leeg en het zou verkocht worden. Wubbing, die in het Holt woonde, een gehucht drie kilometer buiten het dorp, vond de ligging prachtig: niet in de drukte van het dorp en toch overal vlakbij. Hij had er wel zin in. Nog een paar jaar en hij zou de boerderij overdragen aan zijn zoon. Hij en zijn vrouw konden dan mooi naar het dorp toe gaan.

Mans Havinga - door iedereen Mans Kwak genoemd - zei: Dan zitten ze meteen dicht bij 't kerkhof, da's ja makkelk as 't zo wied is.

En dat was waar: Het witte huis met de gele luiken en het donkere pannendak lag aan de weg naar het kerkhof.

Het was ongeveer 100 jaar oud, een landhuis in boeren-stijl gebouwd. Het had een stal en een banderdeur, waar paard en koets naar binnen konden en waar ook één of twee koeien hadden gestaan.

Het bijzondere van het huis was, dat het met een hoek was gebouwd; het had als 't ware een zijvleugel. En achter die zijvleugel was een veranda.

Alle kamers waren op de benedenverdieping. Het waren er niet veel, maar ze waren wel groot. Een gang liep van de voordeur naar de veranda. Aan de rechterkant was de keuken met de eetkamer, aan de linkerkant een grote woonkamer en een tuinkamer.

Toen Ben kwam kijken op de dag, dat het huis te bezichtigen viel, zei hij tegen de klerk van de notaris, die de mensen ontving -Wie heeft hier toch gewoond?

Het is gebouwd door de dochter van baron Van Dongen. Als u in de kerk gaat kijken, zult u er een rouwbord vinden, waarop zijn naam staat. Toen hij stierf, is de oude havezathe, die hier niet ver vandaan lag, verkocht en later afgebroken. Een dochter van de baron woonde eerst een tijdje in Den Haag.

Hé, zei Ben, merkwaardig, ik kom ook uit Den Haag.

Later kwam ze terug naar het dorp. Zij heeft het laten bouwen. Het dorp was toen nog veel kleiner dan nu. Er stonden aan deze weg nog haast geen huizen. Het kerkhof, dat vroeger rond de kerk lag, was pas aangelegd en de meeste mensen wilden niet bouwen aan een weg, waar zo vaak begrafenissen voorbij zouden komen.

Maar ik houd van kerkhoven, zei Ben.

De klerk glimlachte. Hij was oud en vergrijsd in het vak. De dood boezemde hem geen schrik in. Hij had zoveel testamenten zien maken, zoveel huizen en landerijen zien vererven en verkopen, zo vaak trotse bezitters zien wijken voor de dood, dat hij zich soms in dienst bij magere Hein waande in plaats van bij de notaris, die net als hij sinds jaar en dag in het dorp gevestigd was.

Ze liepen er rond op een mooie septembermorgen. Ben was de dag te voren uit Den Haag gekomen en had zijn intrek genomen in het kleine hotel tegenover de kerk, bij Harm en Lammechien.

's Avonds had hij in de gelagkamer gezeten en de mensen horen praten in een taal, die hij niet verstond. Het leek alsof de mensen zuinig waren op hun woorden, alsof ze de helft inslikten, bang dat het geld kostte om ze vol uit te spreken.

Zijn ze zo zuinig? vroeg hij later aan Harm, de jonge waard, die bij hem zat, toen de anderen waren vertrokken.

Ja, zei die. Meneer heeft d'r geen idee van hoe arm het hier vroeger was. De mensen hadden wel 'n stukje land, een koe, wat schapen, maar geen geld. Mijn vader zat hier ook al en hij vertelde altijd, dat er boeren waren, die naar de Zuidlaarder markt gingen.

Is dat ver van hier?

Tien kilometer ongeveer. Nou, als ze heengingen, kwamen ze an, namen een borrel, dronken de helft uit en lieten de andere helft staan voor de terugreis.

Is 't waar?

Ja meneer, en als 't niet waar is, dan hád 't waar kunnen wezen.

De waard stond op. Hij was kaarsrecht. Het leek alsof hij zijn hoofd een beetje achterover hield om zo de zaak beter te kunnen overzien. Hij liep naar de klok - een lange Friese klok met een engeltje, dat heen en weer zweefde boven de wijzerplaat en trok langzaam de gewichten op.

Ben voelde, dat het een teken was, dat de waard wilde sluiten en stond op van zijn stoel.

Samen stonden ze voor het café uit te zien over de brink. Het was een stille avond, zacht en met de geur van blad, van aardappelen ook, die overwaaide uit de moestuin.

Nu ze zo samen daar stonden, bleek dat ze even lang waren. Ze waren ook bijna even oud.

Ben voelde zich opeens geen vreemde meer in het dorp, waar hij tot voor kort nog nooit van had gehoord.

't Is eigenlijk te gek, zei hij, dat ik hier ben.

Harm zei niets. Hij wachtte af. Later zou Ben leren, dat Drenten altijd zo doen, bang om de draad te verbreken, bang ook om onbescheiden of nieuwsgierig te zijn.

Ik kreeg op de krant, waar ik werk, een exemplaar in handen van de Asser Courant. Daarin stond die verkoping aangekondigd. Ik las de beschrijving van het huis en toen dacht ik: verdomd, ik ga erheen. Nou en zo zit ik hier.

't Is anders niet best, meneer, zei Harm, 't is oud en eigenlijk moet 't d'raf.

Hoe d'raf ?

Nou, afgebroken!

Ben je gek, wou Ben zeggen, maar hij bedacht zich en zei: Ik hou juist van dat oude.

Harm, döst stoe 't locht oet? Dat was Lammechien, de waardin, die in de keuken de glazen had afgewassen en naar bed wilde.

Ze begrepen de wenk en gingen naar binnen.

Toen ze de trap opliepen, vroeg Ben: Zou 't duur worden?

Op de overloop bleven ze staan. Lammechien, dik en rond en wit van de slaap, Harm lang en recht.

Wat zal men d'r van zeggen? As 't waar is, wat Mans Havinga vanavond zei, dat Wubbing d'r belang bij heeft.

Is die rijk?

Harm knikte en Lammechien zei: Maar ook zuinig. En past u ook maar op uw geld, meneer, want 't is 'n oud ding, net als dit van ons.

Terug: Nijenhuis-pagina - Index feuilleton