Bonnen -
2
Melkfabriek
|
Bonnen is op deze site voor het eerst besproken in mei 1999. Het betrof het het meeslepende verhaal van Mennie Meyer. Meyer woonde tegenover de 'nieuwe' melkfabriek. Een melkfabriek was aan het einde van de negentiende eeuw de vurige wens van de boerinnen. Immers het 'botermaken' gebeurde gewoon op de boerderij. En wie draaide, in dit geval letterlijk, op voor het rotwerk? Juist: de vrouwen. Na een eerste poging in 1893 kwam op 9 maart 1895 'de oprichting van een zuivelfabriek' opnieuw op de agenda te staan van een bijeenkomst van de landbouwvereniging. In het boek van Jo Tingen Gieten door de jaren heen lees ik dat men zich uitsprak 'voor de oprichting eener zodanige fabriek met handkracht'. Al op 30 maart kwam men opnieuw bijelkaar in café Ottens en werd de zaak beklonken: in augustus 1895 was 'de boterfabriek' bedrijfsklaar. Deze boterfabriek stond op de hoek van de schoolstraat en de Wemenweg. Tegenover het voormalig 'nieuwe postkantoor'.
Dat handkrachtgedoe bleek allengs toch wel wat ouderwets en men begon te denken over 'stoomkracht'. Omdat het rondom de 'botterfabriek' toch maar wat krap was besloot men tegelijk uit te zien naar een nieuw terrein. Op 19 juli 1928 werd de nieuwe Coöperatieve Stoomzuivelfabriek 'Gieten-Bonnen' aanbesteed voor het bedrag van 43707,--
We kunnen nu ook de
tekst op voorgevel lezen:
In totaal hebben beide fabrieken slecht twee directeuren gekend. De eerste was Thie Hogen Esch. Hij werd in 1943 opgevolgd door Jo Fuller. Hij bleef totdat de fabriek in 1966 zijn deuren voorgoed sloot. De hele handel werd overgebracht naar de fabriek in Eext.
Jo Tingen vemeldt in een noot dat men al snel na de oprichting van de eerste boterfabriek opmerkte 'dat de aangevoerde melk niet alle gelijk van kwaliteit was'. Men vermengde het melk van de koe met die van het schaap. Later werd de kwaliteit van de melk nauwkeurig in de gaten gehouden door niemand minder dan m'n eigen vader.
De melkfabriek was een echte dorpsfabriek. Als kind kon ik gewoon even bij pap op bezoek gaan. Je ging natuurlijk door de achterdeur.
De stoommachine van had natuurlijk kolen nodig. Achter de fabriek lag dan ook een grote voorraad kolen. Het was de machinist zelf die dat handmatig in de bak moest scheppen. En dan ging Hendrik met de kolen naar de stoomketel.
De stoomketel was afkomstig van Van Hoen in Veendam. Was dat een bekende machinefabriek?
Ziet u hoe mooi deze ruimte is betegeld? Zowel de vloer als de wand. Dan ging het over de flessenafdeling naar boven. Daar stond de grote 'automatische boterton'. Ik herinner me dat daar vooral Ep Venema werkzaam was. De hele ruimte was geel betegeld en de boterton was blank gelakt in een rood frame. Een schitterend gezicht.
Achter de fabriek was trouwens nog veel meer coöperatiefs. De maalderij was daar. (Volgens mij heette dat in Gieten echt maalderij en geen malerij) Nadat het koren was gedorst ging het niet meer naar de molen, maar werd het naar de maalderij gebracht. Het graan werd er in een 'put' gegooid en na enige tijd kwam het er aan de andere kan weer uit als meel. Het werd daar opgevangen in meelzakken. In de maalderij kon men ook allerhande veevoer, waaronder de bekende veekoeken, kopen. En wat te denken van 'de kluis'. Vele Gieters huurden bij de coöperatie een kluis. Niet een kluis voor juwelen of belangrijke papieren. Nee, die werden gewoon in het kabinet bewaard. Het betrof hier een diepvries. Thuis had nog niemand een dergelijk apparaat. Daarom was er een gebouwtje neergezet met een hele grote vriezer. Deze was voorzien van, ik gok maar wat, vijftig kluizen. De deuren van die kluizen gingen als zware putdeksels open. Menig kind werd na schooltijd naar de 'kluis' gestuurd om daar wat gehakt of ander vlees te halen.
Voor op- en aanmerkingen of voor uw verhaal of herinnering ten aanzien van deze locatie doet u een e-mail in de brievenbus van "Het collectieve geheugen": |
||||||